Home

Steden moeten vergroenen om hittebestendig te worden. Maar niet met simpel groen: met slim groen. ‘Kijk, dit gras is niet heel blij’

Klimaat Om leefbaar te blijven in de alsmaar hetere zomers moeten steden vergroenen. Ecologen zoeken in Den Haag naar de weerbaarste planten. „We bekijken onder de microscoop meestal twintig sprieten per soort.”

Wetenschappers verrichten veldonderzoek naar planten in Den Haag.

Als we steeds vaker hittegolven krijgen, als de warmte in de stad aanzienlijk heviger is dan op het platteland, wat ligt dan meer voor de hand dan steden ‘vergroenen’ om de hitte te dempen? En wat is dan logischer dan onderzoeken welke bomen en planten het beste verkoelen?

Dat is precies wat ecoloog Mette Jill den Boer doet. In de binnenstad van Den Haag rijdt ze deze zomer rond – met twee collega’s – op een bakfiets vol meetapparatuur en met een uitschuifbare snoeischaar, voor haar proefschrift over natuur in de hete stad.

„Weet je waarom ik dit zo interessant vind?”, vraagt ze. „Meer groen is goed: voor het klimaat, voor onze gezondheid, voor alles. Maar in steden is vaak geen ruimte. Toch, als je weet welke soort groen het in drukke steden goed uithoudt, kun je het in elk geval effectief aanleggen.”

Vooraf heeft Den Boer (28) uitgezocht waar in het dichtbevolkte Den Haag zich het groen bevindt en waar het droog en heet kan worden. Vervolgens heeft ze een computerprogramma laten bepalen op welke zestig locaties ze gaat speuren. Twintig plaatsen in de binnenstad, twintig in buitenwijken, twintig even buiten de stad. Drie locaties per dag. „Een algoritme bepaalt waar we heen gaan, om het onbevooroordeeld en wetenschappelijk te houden.”

Wetenschapper Mette Jill den Boer.

‘Superbelangrijk natuurlijk’

Vandaag beginnen de onderzoekers van de Universiteit Leiden bij een armetierige strook groen aan de Lange Vijverberg, tegenover het Torentje van premier Jetten. Trams en auto’s razen langs. Onverstoorbaar knippen de onderzoekers, binnen een kwadrant van zo’n honderd vierkante meter, bladeren uit het gras en zagen ze takjes uit de hoge linden. „We nemen meestal twintig sprieten per soort. Die ga ik onder de microscoop bekijken.”

Ook nemen ze grondmonsters. „Ik wil bestuderen hoe de wortels van het gras zich aanpassen aan hitte”, zegt Den Boer. Verder plaatsen ze apparaten die onder meer de vochtigheid meten, en bodemsensoren die op vijf, tien en vijftien centimeter diepte de temperatuur en waterconcentratie meten. „Superbelangrijk natuurlijk, als je het over droogte hebt.”

In grote hitte kost het bomen en planten, evenals mensen, moeite zich te handhaven, vertelt Den Boer. Het Haagse gazon, met sporadische toefjes zevenblad en klein kaasjeskruid, maakt al een gelige indruk. „Dit gras is niet heel blij.”

Die kleur hangt samen met de „droogtestrategie” van veel soorten: „Ze gaan in een soort zomerslaap.” Dat wil zeggen: „Als het ze too much wordt, kappen veel planten en bomen even met groeien, met zaadjes maken. Ze houden een lange siësta. Dan steken ze hun energie liever in het groter en dikker maken van hun wortels, zodat ze naar water kunnen zoeken om volgend jaar wél de hitte te kunnen weerstaan.”

Aangestampte bodem

De onderzoekers trekken veel bekijks. „Zijn jullie bommen aan het zoeken of zo?” vraagt een ontspannen heerschap, een joint rokend op een bankje. Masterstudent Victor Du vat de onderzoeksbedoelingen geduldig samen. „Ooooohhhhh”, reageert de man.

De zon klimt, de temperatuur stijgt. Hoveniers komen geraniums in hangende bakken water geven. Intussen leggen de onderzoekers uit dat dat de neiging van bomen, struiken en planten om tijdens hitte en droogte in zomerslaap te gaan, in binnensteden wordt versterkt. Dat komt door de ‘vaste’ bodem die doorgaans is aangestampt, bijvoorbeeld door voetgangers.

Den Boer wijst naar postdoc-onderzoeker Joeri Morpurgo, die met enige moeite een sensor de bodem in tracht te jassen. „Je ziet hoeveel moeite dat kost. Omdat hier waarschijnlijk veel wordt gelopen, vouwt de grond zich samen tot een compacte massa. Regenwater kan dan de platgestampte grond niet in, maar stroomt weg.”

En die afwatering is ongewenst. Den Boer: „Regenwater verdwijnt gelijk in het riool, in plaats van naar het groen. Dat leidt tot stress. Planten hebben water nodig, zoals mensen het bloed dat door hun aderen stroomt. Als ze geen water krijgen, gaan hun cellen kapot. Dan kraken ze. Breken ze.”

Over het voetpad langs de Hofvijver passeren demonstrerende toeslagenouders, zonder oog voor het ecologisch onderzoek. Den Boer bekijkt onderwijl de eerste resultaten van de bodemmonsters en maakt aanstalten om verder te fietsen, naar de tweede locatie voor vandaag: de Scheveningse Bosjes.

Heeft ze eigenlijk al een idee welk ‘effectief groen’ in tijden van hitte niet alleen schaduw biedt, maar ook tegen een stootje kan? Onderzoek moet dat uitwijzen, antwoordt ze, uitleggend dat fysische eigenschappen een sleutelrol spelen. Zoals het karakter van de huidmondjes aan de onderkant van de bladeren, waarmee het groen overdag koolstofdioxide opneemt en zuurstof en vocht uitscheidt. „Dat koelt de lucht.”

Bij grote hitte sluiten bomen en planten deze mondjes. „Ik kijk naar de hoeveelheid en grootte van de huidmondjes en hoop later iets te kunnen zeggen over hoe en wanneer die zich sluiten bij hitte. Daarmee hoop ik ook iets te kunnen zeggen over de functionaliteit van het groen voor mensen.”

Veldonderzoek in Den Haag.

Vegetatie wordt gesnoeid en later in het laboratorium onderzocht.

Op de fiets naar de volgende locatie voor voortzetting van het veldonderzoek naar bomen en planten.,

Mette Jill den Boer onderzoekt een boom.

Buxus of trompetboom

Dat groen verkoelt staat buiten kijf. Den Boer: „Als we het hebben over meetbare luchttemperatuur, dan scheelt het al snel één tot vijf graden, afhankelijk van het soort groen.” Maar of in de toekomst daadwerkelijk veel meer ‘functioneel groen’ in de steden zal verrijzen, is nog de vraag.

”Straks kan ik zeggen welke functie een groenstructuur voor de stad heeft. Maar daarmee open je pas het debat”, zegt Den Boer. „Want je kunt wel stellen dat bijvoorbeeld een klein, dik blad als van een buxus beter kan overleven dan de grote, dunne bladeren van een trompetboom, maar willen steden dat ook? Die kiezen al heel lang voor veiligheid. Zo mag een boom niet met z’n takken over een weg hangen. Bovendien vindt de ene stadsbewoner een hortensia mooi en de ander een paradijsvogelbloem. En dan heb je ten slotte óók nog de sociale discussies over bijvoorbeeld inheemse soorten.”

Aangekomen in de Scheveningse Bosjes is het eerste wat Den Boer opvalt: de rust en de stilte. Het is hier ook overduidelijk enkele graden koeler. „En natter”, zegt ze. „Dat komt doordat al die bomen hier ademen.” Haar mede-onderzoekers slaan hun apparaten al weer in de grond.

Alleen al de merkbaar verkoelende werking van deze natuur bewijst volgens Den Boer dat steden langer moeten nadenken over welk soort groen het beste in de wijken past. Te vaak nog is groen bij stedenbouwers „een afterthought”, zegt ze. „Er worden huizen gebouwd en daarna wordt gezegd: laten we d’r nog wat gekweekte bolhortensia’s bijzetten, want die vinden de mensen mooi. Maar dat is een steriele plant: bijen hebben daar niks aan. En bij bouwplannen met een krap budget is groen het eerste dat eruit vliegt. Zonde, want dan zitten we over veertig jaar in een stenen stad en moeten we de hitte oplossen met airco’s en zonnedoeken. Groen maakt mensen bovendien gelukkig. Zo zou ik niet kunnen leven in een stad zonder bomen.”

Natuur en milieu

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next