Home

Hoe trek je een perfecte sprint aan in de Tour de France? ‘Het is als schaken met 70 kilometer per uur.’

Wielrennen De sprint aantrekken in een Touretappe is een vak apart – en buitengewoon moeilijk. Hoe doe je dat, zo’n lead-out? Drie specialisten uit het peloton gidsen in acht stappen naar een sprintzege.

Een massasprint tijdens de derde etappe in de Tour de France van 2014, van Cambridge naar Londen. Marcel Kittel is de snelste, voor Peter Sagan, Mark Renshaw, Bryan Coquard, Alexander Kristoff en Danny van Poppel van Trek Factory Racing (hij eindigt als zesde).

Als je er even over nadenkt, zegt Danny van Poppel, is het eigenlijk van de zotte wat hij en andere sprintaantrekkers doen. „We wagen ons leven en winnen zelf nooit. En negen van de tien keer lukt het niet.”

Van Poppel (32) geldt als een van de beste lead-outs in het peloton. Zijn taak – de kopman in een perfecte positie afzetten, een paar honderd meter voor de finish – geldt als een van de moeilijkste (en gevaarlijkste) specialismen in het wielrennen. Als lead-out moet je beschikken over een perfect gevoel voor timing. Je moet je instinct durven volgen en in een fractie van een seconde beslissingen nemen. En dat allemaal op onvoorstelbaar hoge snelheid, met een hartslag van 170 of hoger, in chaotische omstandigheden. Een sprint aantrekken, zegt Michael Morkov, gekend als de beste lead-out allertijden, „is als schaken met zeventig kilometer per uur.”

Deze woensdag staat de eerste massasprint van de Tour de France op het programma, in de vierde etappe van Lannemezan naar Pau. Komende vrijdag en zaterdag volgen er nog twee. NRC sprak met drie renners die bij de top van de lead-outs in het peloton horen. Hoe doe je dat, de perfecte sprint aantrekken? In acht stappen naar een etappezege in de Tour de France.

negen maanden voor de tourVrienden worden met de kopman

Jarenlang was Danny van Poppels droom om zelf te zegevieren in de sprint. Totdat het besef indaalde dat hij nooit een etappe in de Tour de France zou winnen – de anderen waren simpelweg beter. Ervaring en tactisch inzicht had hij wél. „Dus toen dacht ik: als ik het niet zelf kan, dan probeer ik het op deze manier.” Sinds 2022 richt Van Poppel zich volledig op de lead-out, in dienst van de Duitse ploeg Red Bull-Bora waar hij de Belgische topsprinter Jordi Meeus bijstaat – tot nu toe met veel succes.

Bij de Deense oud-renner Michael Morkov (41) ging het anders. Hij probeerde zeven jaar lang klimmer te worden, vertelt hij, maar lichaamsbouw en gebrek aan talent zaten in de weg. Als baanwielrenner – een vak dat hij ook beheerste – beschikte hij wel over rust, zelfvertrouwen en inzicht op hectische momenten. En dus besloot hij tien jaar geleden om voltijds sprintaantrekker te worden. Morkov groeide uit tot de ‘lead-outkoning’ van zijn generatie, die met sprinters als Fabio Jakobsen, Sam Bennet en Mark Cavendish tientallen overwinningen behaalde. In 2024 ging hij met pensioen, nadat hij Cavendish aan zijn 35e etappezege in de Tour de France had geholpen – een nieuw record.

De voorbereiding op een goede sprint, zegt Morkov, begint al in de winter. Het is namelijk van cruciaal belang om te investeren in een goede persoonlijke relatie met de sprinter. „Ik probeer een vriendschap op te bouwen, zijn vrouw of vriendin te leren kennen.” De sprinter en zijn secondant moeten elkaar door en door kennen – en volledig kunnen vertrouwen. „Anders heeft het geen zin.” Bij alle sprinters die hij met succes bijstond, zegt Morkov, was sprake van zo’n innige band.

Een volgende stap: nauwkeurig de laatste kilometers van het parcours verkennen. Dat doen wielerploegen met Google Street View en het programma Veloviewer. Ze bekijken ook video’s van eerdere aankomsten. „In Bordeaux [finishplaats van komende vrijdag, red.] komen we bijna elk jaar met de Tour”, zegt Cees Bol. „Dus van een recente etappe kun je goed leren hoe het ging. Hoe het parcours erbij ligt, hoe ze de hekken hebben neergezet.”

Bol (30) rijdt deze Tour in Franse dienst, als lead-out van de Nederlandse sprinter Olav Kooij. Ook hij was jarenlang zelf sprinter, maar ontdekte dat hij door zijn lengte (1 meter 94) „veel slipstream” genereerde. „Ik ben gewoon groot, dus achter mij zit je goed uit de wind. Dat is een zwakte als sprinter, maar juist een voordeel in de lead-out.”

Als ervaren renner weet Bol: obstakels in de laatste kilometers – bochten, rotondes, versmallingen in dorpjes – zijn bepalend voor het verloop van de eindsprint. Zit je na een scherpe bocht niet meer goed vooraan? Kies je de verkeerde kant van de rotonde? Dan ben je bij voorbaat kansloos. Zeker als er een stevige rugwind staat – nóg zoiets dat vooraf goed bestudeerd dient te worden.

Essentieel is ook voor welk type sprinter de aantrekker rijdt. Is de kopman een ‘krachtsprinter’ – een renner die zó sterk is dat hij puur op vermogen een sprint kan winnen? Type Marcel Kittel (vroeger) en Jonathan Milan (nu)? Dan draait het er vooral om hem vooraan af te zetten. Hij kan de concurrente op eigen kracht naar huis stampen.

Is de kopman daarentegen een ‘aerodynamische sprinter’? Dan is er een andere tactiek vereist. Dit type renner kan in de laatste kilometer bijzonder goed door het peloton manoeuvreren, van de ene rivaal naar de andere (‘surfen’) – en zo genoeg energie besparen om met een goed getimede jump de sprint te winnen. Denk aan Mark Cavendish (vroeger) en Olav Kooij (nu). Bij de aero-sprinter is de belangrijkste opdracht: zet hem af bij het wiel van de juiste concurrent. Hij zal zelf het juiste gaatje vinden om iedereen voorbij te steken in de laatste meters.

Het is tijd om te gaan sprinten.

70 kilometer tot de finishNaar voren knokken

In Touretappes begint het voorspel op de sprint soms al op zeventig of zestig kilometer van de aankomst. „Zeker in de eerste Tourweek is iedereen fris en ambitieus”, zegt Michael Morkov. „Alle ploegen willen van voren zitten.” Als een finale veel smalle wegen kent en dorpjes en versmallingen, dan kan het zijn dat een sprinter en zijn helpers in de laatste vijftig kilometer geen kans meer krijgt om op te schuiven naar de kop van het peloton. „Je moet dus”, zegt Morkov, „heel vroeg beginnen met knokken voor je positie.”

5 tot 3 kilometer tot de finishEr ontstaat ruimte

Op drie kilometer voor de finish – en in veel Touretappes tegenwoordig al op vijf kilometer – begint de ‘veilige zone’. Renners die na dit punt ten val komen, of materiaalpech hebben, krijgen dezelfde tijd als de ritwinnaar. Ze hoeven dus niet te vrezen voor tijdverlies. Het gevolg: de meeste klassementsrenners laten zich ‘uitzakken’, om weg te blijven van de hectische, risicovolle eindsprint. „Op dat moment”, zegt Danny van Poppel, „ontstaat er meer ruimte voor de sprinters en hun lead-outs.”

1.000 meter tot de finishDe sprinttrein vertrekt

Daar is het doek van de laatste kilometer. ‘De vod’, in wielertaal. Hier begint het eindspel van de sprint, al kunnen de wind of een scherpe bocht ervoor zorgen dat de aftrap eerder of later is.

In het ideale scenario, zegt Michael Morkov, trek je de sprint aan met een ‘treintje’ van drie helpers. Iedere renner doet een maximale inspanning en geeft dan over aan de volgende. Die inspanning kan hij ongeveer twaalf tot vijftien seconden volhouden: 200 tot 300 meter. Het peloton begint aan de laatste kilometer met een snelheid van tegen de 60 kilometer per uur.

Het allerbelangrijkste, zegt Morkov, „is dat je telkens moet kunnen blijven versnellen”: iedere volgende renner in de sprinttrein dient harder te gaan dan zijn voorganger. Het is dus van belang dat de eerste helpers nog niet op maximale snelheid rijden. „Ik zeg heel vaak tegen de anderen: hou je in, ga niet te snel! Als de lead-out eenmaal in gang is gezet, kun je hem niet meer stoppen.”

Vanzelfsprekend moet de sprinttrein niet te vroeg aan de kop van het peloton geraken. Vol in de wind rijden kost bakken met energie – en de concurrentie zit lachend in het wiel.

700 meter tot de finishOp het instinct vertrouwen

De eerste aantrekker geeft af, de volgende neemt over. Het gaat nu tegen de 65 kilometer per uur. Links en rechts duiken andere sprinters en hun helpers op. Eén en al hectiek. Langs de dranghekken staat het rijen dik met wielerfans. Het lawaai is oorverdovend.

Verbale communicatie met je ploeggenoten? Onmogelijk. Morkov: „Als ik ‘rustig’ roep, krijg ik na afloop te horen: ‘zei je nou: sneller?’” Het enige wat nog kan, is met de elleboog gebaren dat de volgende aantrekker moet overnemen. „Of door een knikbeweging met je hoofd aangeven: ik ben door m’n krachten heen”, zegt Cees Bol. „Als je elkaar goed kent, kun je aan de lichaamstaal zien of iemand helemaal op is of nog een cartouche heeft.”

In volle sprint verandert de situatie per seconde. De lijst met dingen die de leadout in de gaten moet houden, is eindeloos. Waar zitten de andere ploegen? Hoeveel man hebben die nog? Waar bevinden we ons ten opzichte van de hekken? „Je kunt als leadout niet op één ding tegelijk focussen”, zegt Morkov. „En dus vertrouw ik op mijn instinct.”

400 meter tot de finishDe laatste lead-out

Nu is het tijd voor de laatste lead-out. De meesteraantrekker: Van Poppel, Bol, Morkov. Ideale snelheid: tussen de 67 en 70 kilometer per uur. In deze laatste fase komt het aan op blind vertrouwen. De sprinter volgt zijn aantrekker, waar hij ook gaat.

Moet de lead-out zijn lijn houden? Of juist ‘in een gat duiken’ – een vrijgekomen ruimte insturen? De beslissingen die laatste aantrekker neemt, kunnen het het verschil maken tussen etappewinst en plek vijf. „Je moet in zo’n geval echt honderd procent zeker zijn van je zaak”, zegt Morkov. „Ik ben zó vaak niet in een gat gedoken omdat ik niet zeker wist of mijn sprinter achter me zat. Je moet durven wachten.”

Nog iets belangrijks, zegt Morkov: „Sprinten is een gentlemen’s sport.” Je mag de concurrentie niet hinderen. Geen schouderduw uitdelen. Niet in de weg rijden. Doe je dat wel, dan riskeer je diskwalificatie – en is al het werk voor niets geweest.

Maar er zijn natuurlijk wel trucs. Handigheidjes waarmee je binnen de regels blijft en tóch je rivalen van slag brengt. Eén zo’n truc, zegt Morkov, is om dicht langs de hekken te rijden. „Je laat genoeg ruimte open voor je eigen sprinter om erlangs te kunnen, en plant tegelijkertijd twijfel bij de tegenstander: pas ik wel door dat gat? De kans is groot dat hij besluit om je aan de andere kant te passeren – vol in de wind.”

200 meter tot de finish‘De lijn vasthouden’

De meesteraantrekker is weg, de sprinter is aan zet. Nu moet hij het afmaken. Zit hij goed gepositioneerd? Heeft hij voldoende snelheid? Als alles klopt, kan hij nog een of twee kilometer versnellen, tot 71 à 72 per uur – genoeg om de opstomende concurrentie voor te blijven.

Voor de lead-out zit het werk erop, maar dat wil niet zeggen dat hij kan verslappen. Swinging out – overgeven aan de kopman – is volgens de specialisten het gevaarlijkste moment van de sprint. Als je abrupt de benen stilhoudt, of te veel van naar links of rechts stuurt, raak je het wiel van een concurrent en lig je op het asfalt. Cees Bol: „Er komt gewoon een kudde stieren achterop.”

Wat je het beste kunt doen, zeggen de lead-outs, is blijven sprinten en je stuur goed omklemmen – hoe uitgeput je ook bent. „Stevig op je fiets blijven zitten en je lijn vasthouden”, zegt Bol. „Tenzij je écht ziet dat het niet hoeft.”

Eigenlijk is het een wonder dat het zo vaak goed gaat. Ze zijn, zeggen de drie sprintaantrekkers, in hun carrière ontelbare keren ten val gekomen – maar zelden in de laatste paar honderd meter. Waarom er zo weinig ongelukken zijn in de sprint? Vakmanschap, zeggen de lead-outs – van henzelf en van alle anderen. „In de Tour de France zijn de sprinters en de lead-outs bovengemiddeld goed”, zegt Cees Bol. „En iedereen kent elkaar. Van de eerste dertig in een massasprint weet ik wel zo ongeveer wat ze gaan doen.”

de finishCompleet uitgeput

De handen van de sprinter gaan in de lucht. Ja! Perfect afgezet, vlekkeloos afgemaakt. Een Touretappe op het palmares. Achter de finish omhelst de sprinter zijn aantrekkers, omgeven door fotografen en cameramensen. Dit was een perfecte lead-out.

Hoe de sprintaantrekker zich voelt na een etappe? Morkov: „Ik ben dertig seconden lang compleet uitgeput.” Van Poppel: „Na vijf minuten ben ik wel weer oké. Maar hoeveel pijn ik na afloop heb, is bijzaak. Klimmen vind ik veel zwaarder dan een sprintje trekken.”

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next