Home

Echte vrijheid kan alleen voortkomen uit redelijke gelijkheid

Non-fictie Filosoof Hans Achterhuis komt met een recept om de onder vuur liggende democratie te verdedigen. Met verve beschrijft hij zijn liefde voor het van oudsher typisch Europese ‘stadsburgerschap’.

Samen koken met mensen uit de buurt. Een mealprep-workshop van de Mensa in Rotterdam, een initiatief ter bevordering van de voedseleducatie.

In Democraticide. De moord op de democratie voegt de filosoof Hans Achterhuis zich in de rij denkers die menen dat de democratie in gevaar is. Gezien de kracht van het populisme kunnen we er niet genoeg over spreken en schrijven hoe dierbaar én kwetsbaar onze democratie is. Zo bezien is het boek van Achterhuis goed nieuws. Ook de titel, Democraticide, is mooi gevonden. Ooit spraken we alleen over ‘regicide’ (koningsmoord), wat recenter door Luuk van Middelaar ook over ‘politicide’ (moord op de politiek) en dan nu ‘democraticide’. Maar Achterhuis maakt de mooie titel niet helemaal waar, van moord blijkt geen sprake. Hij schrijft: „Met mijn nieuwe begrip ‘democraticide’ druk ik uit dat de bedreiging van de democratie niet toevallig of onbewust gebeurt. We hebben volgens mij met een wereldwijde aanval op de democratie te maken. Waarom moeten we haar verdedigen, en hoe zouden we dat moeten doen?”

Hans Achterhuis: Democraticide. De moord op de democratie. ISVW, 216 blz. € 24,95

Die wereldwijde terugslag klopt, dat constateerden veel analisten al. Maar er is dus volgens Achterhuis, bij nader inzien, geen sprake van moord, slechts van een aanval. Het komt erop aan de democratie te verdedigen, maar door wie? Moeten wijzelf aan de bak of onze politici? En wie is de vijand tegen wie we het moeten opnemen, populistische bestuurders met kwaadaardige bedoelingen, reguliere politici die vrijheid en gelijkheid verwaarlozen of nonchalante burgers die denken, „na mij de zondvloed”? Achterhuis houdt het wat in het midden. Bovendien begint zijn betoog somber, zoals de titel doet vermoeden, maar neemt uiteindelijk een – weliswaar uiterst gematigd – optimisme de overhand. Hardop denkend schrijft hij toe naar de terechte conclusie dat democratie een feilbaar, maar behoorlijk weerbaar idee is: het schrijven was voor Achterhuis „een eigenaardig medicijn”, zo parafraseert hij de titel van een eigen eerder boek. Men kan het ook zo begrijpen dat ‘Democraticide’ als titel de spreekwoordelijke mooie hamer was, waardoor veel zaken opeens op een spijker gingen lijken.

Cruciale bakens

Het boek is ondertussen lezenswaardig genoeg. Zo gaat Achterhuis levendig in op het werk van de Italiaanse renaissanceschrijver Niccolò Machiavelli en de Franse 19de-eeuwse historicus Alexis de Tocqueville. Hij wijst ze terecht aan als cruciale bakens van democratisch burgerschap. De schrijver verwijst bijvoorbeeld bewonderend naar Machiavelli’s „burgermilities”. Hij benadrukt dat de Florentijnse denker en diplomaat de verdediging van de stad zag als „kroon op de participatie van de burgers”. Ook neemt hij de term „Machiavelliaanse momenten” over van de journalisten Marijn Kruk en Joshua Livestro (die deze weer overnamen van de historicus John Pocock). Daarbij gaat het volgens Achterhuis om „momenten waarop er beslissende politieke keuzes mogelijk zijn. Het behoort tot het overzicht en de durf van de staatsman om deze momenten te onderkennen en te benutten”.

Op die manier verhoudt Achterhuis zich tot lopende discussies over invoering van burgerberaden (hij is voor), klimaatbeleid (dat moet beter), het sociale weefsel in buurten en wijken (dat moet versterkt), het verbieden van politieke partijen (hij is tegen) en de noodzaak tot meer economische gelijkheid. Dat zijn redelijk gangbare denkrichtingen die eerder omstreden zijn, als medicijn tegen democratiearmoede, dan gegarandeerde oplossingen. De aardigheid van het boek zit er dan ook meer in dat Achterhuis met verve zijn liefde voor het van oudsher typisch Europese „stadsburgerschap” beschrijft, de politieke identificatie van inwoners van het oude Athene tot het moderne Amsterdam met hun stad als bron van trots en plek van zeggenschap. Hij doet dat aan de hand van persoonlijke herinneringen aan studieverblijven én bezoek aan stadscampings, en met denkers als de Franse filosoof Claude Lefort en de Amerikaans historicus Larry Siedentop op de achtergrond. Zonder weg te kijken voor de koloniale onderdrukking die er ook bij hoorde, zet Achterhuis het verlangen naar politieke vrijheid van de stadsbewoner in het zonnetje: stadslucht maakt vrij.

Corvee

Al lezend dringt zich wel de vraag op hoe je juist een idee als Machiavelli’s burgermilities naar vandaag vertaalt. Tegenwoordig beschouwen burgers democratie hooguit als corvee. Ze besteden politiek liever uit aan betaalde krachten, met de Tweede Kamer als een huishoudelijke hulp om op te mopperen. En de fysieke verdediging van die democratie voelt al helemaal niet meer als burgerplicht.  Nu de Verenigde Staten op de terugtocht zijn, Rusland in aantocht is en er dus offers nodig zijn, luidt de vraag: wie gaat die offers brengen? Als iets een „Machiavelliaans moment” is, dan is dat misschien wel de vraag wie opdraait voor onze verdediging. Moet de deugdzame burger daadwerkelijk ook een vechtjas zijn of laten we daar weer liever arme mensen voor opdraaien?  Achterhuis’ betoog meandert er wat omheen. 

Misschien wreekt zich ook het nogal bonte gezelschap aan opiniehebbers dat Achterhuis opvoert, via recente artikelen uit De Groene Amsterdammer, de Volkskrant en NRC. Van journalisten en columnisten als Geert Mak en Sander Schimmelpenninck tot een reeks internationale onderzoekers die onlangs zijn geïnterviewd, komen er nogal wat terzijdes langs. Daardoor voelt de lezer zich soms opeens het knipselarchief van de schrijver ingetrokken, zonder dat de noodzaak daartoe groot is. Peinzend in de voetsporen van de al genoemde Machiavelli en Lefort, „Denker der Nederlanden” David van Reybrouck en de filosofe van het „limitarisme” Ingrid Robeyns, lijkt Achterhuis een klassiek betoog over burgerdeugd op te bouwen: vrijheid kan alleen vorm krijgen onder condities van redelijke gelijkheid.

Maar dan wordt plots een meningsverschilletje tussen de ene columnist en de andere columnist uitgebreid besproken of een koffietafelboek over Friese geschiedenis, en dan kan de lezer niet anders denken dan: het is me wat. Dus voor wie nog niet veel las over de barre politieke tijd waarin we leven, of voor wie het omvangrijke oeuvre van Achterhuis nu eenmaal vertrouwd voelt, kan het boek de moeite waard zijn. Voor wie bijgelezen is, is het boek mogelijk net te veel een causerie.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next