50 jaar Stevie Wonder was pas 25 toen hij het album Songs in the Key of Life (1976) uitbracht. Er werkten 130 mensen aan mee.
Toen soulster Stevie Wonder in september 1976, na jarenlang zwoegen in de studio, zijn Songs In The Key of Life uitbracht, was hij nog maar 25 jaar oud. Toch klinkt het volvette dubbelalbum als het werk van iemand die al een volledig muzikaal leven achter zich heeft. Soul, funk, jazz en gospel vloeien er samen zonder vervaldatum.
Zoveel jaar later blijft Songs in the Key of Life vooral verbazen door zijn schaal én detail. Elk nummer ademt energie: krachtig, poëtisch, politiek en spiritueel. De plaat met 21 nummers, waaronder geliefde songs als ‘Another Star’ en ‘As’ en nummer 1-hits ‘I Wish’ en ‘Sir Duke’, voelt als een tijdcapsule én een spiegel. Het vangt de maatschappelijke spanningen van zijn tijd, stelt vragen over raciale (on)gelijkheid en verwoordt een roep om warmte, begrip en menselijkheid. Dat heeft een halve eeuw later niets aan actualiteit verloren.
In totaal werkten zo’n 130 mensen, onder wie grote namen als Herbie Hancock, George Benson en Minnie Riperton, mee aan de baanbrekende soulplaat. Maar uiteindelijk hoor je o-ve-ral Stevie. Op elk nummer schittert hij als uitvoerder, als bespeler van een hele reeks instrumenten en als producer die alle uiteenlopende elementen bijeenhoudt. Juist zijn combinatie van grootse ambitie en minutieuze controle maakt Songs in the Key of Life nog altijd zo verbluffend.
Niet te versmaden: ‘I Wish’, met die onstuitbare baslijn (Nathan Watts) en Stevies groovende clavinetspel dat het nummer voortdurend een zet in de rug geeft. Of ‘As’, een spirituele, loom meanderende orkestrale popsong waarin liefde niet zozeer wordt bezongen als wel in de lucht lijkt te hangen. Wonder zingt, speelt toetsen én drums, terwijl het nummer zich langzaam ontvouwt als een belofte zonder einde.
‘Sir Duke’: een vrolijke fanfare op stelten, met blazers die als goedgeluimde reuzen door de groove marcheren. Een eerbetoon aan Duke Ellington, die stierf voordat hij en Wonder ooit konden samenwerken, en waarin Wonder naar meer jazzgeschiedenis verwijst: Count Basie, Glenn Miller, Louis Armstrong en Ella Fitzgerald. In het instrumentale jazzfusionstuk ‘Contusion’ gaat het enkel om jazzy virtuositeit en speelplezier – de invloed van jazzmusici als John McLaughlin en Chick Corea, die in de naastgelegen studio bezig waren, sijpelde geregeld door in de muziek.
En dan ‘Pastime Paradise’: nog altijd gedurfd. In plaats van een funkgroove kiest Wonder voor synthesizerstrijkers die als een filmische wolk boven het nummer hangen. Het ritme is spaarzaam en hypnotiserend, opgebouwd uit bellen, handclaps en percussie. Aan het einde komen een gospelkoor en, nota bene, Hare Krishna-zangers samen.
Halverwege de jaren zeventig bevond Stevie Wonder zich op een kruispunt. Hij was al jaren een Motown-superster en sinds zijn kindertijd onderdeel van een strak geregisseerd muzieksysteem. Tegelijk begon hij openlijk te twijfelen aan de richting van zijn carrière: een mogelijk vertrek uit de muziek zelfs. Hij wilde emigreren naar Ghana en zich richten op maatschappelijke en humanitaire projecten.
Toen zijn contract afliep, zette Motown alles op alles om hem te behouden. Wonder werd een destijds ongekend contract aangeboden met een voorschot van 13 miljoen dollar, royale royalty’s en volledige artistieke controle. Volgens Time Magazine was het op dat moment het grootste contract uit de geschiedenis van de muziekindustrie. Belangrijker nog: het gaf Wonder de vrijheid om zijn meest ambitieuze project tot dan toe te realiseren.
Die ruimte benutte hij volledig. Het oorspronkelijke concept groeide uit tot een poging om zo veel mogelijk facetten van het leven in muziek te vangen. Tussen 1974 en 1976 schreef en ontwikkelde Wonder tijdens het creatieve proces voor het album naar schatting zo’n honderd nummers. Opnamesessies in Los Angeles en New York duurden vaak tot diep in de nacht. Zodra een nieuw idee zich aandiende, riep hij muzikanten en technici terug naar de studio. Zoals hij zelf zei: „If my flow is goin‘, I keep on until I peak.” Eén klank verbond alles: de elektrische Fender Rhodes-piano. Soms warm en zacht, soms een beetje modderig, maar altijd aanwezig als een onderstroom.
Michael Jackson noemde Songs in the Key of Life zijn favoriete Stevie Wonder-album en Prince bestudeerde de plaat om te leren hoe hij, net als Wonder, vrijwel alle instrumenten zelf kon inspelen.
Door de soulvolle klank, de rijke harmonieën, de meerstemmigheid en vanzelfsprekende groove zou Songs in the Key of Life ook uitgroeien tot een van de meest gesamplede albums ooit, een archief voor de moderne popmuziek. De muziek wordt telkens opnieuw opgepakt en in nieuwe contexten geplaatst. Volgens sampledatabase WhoSampled behoren ‘I Wish’, ‘Isn’t She Lovely’, ‘Sir Duke’ en ‘Pastime Paradise’ tot de meest gebruikte nummers van het album.
Het bekendste voorbeeld blijft ‘Gangsta’s Paradise’ van rapper Coolio, dat voortbouwde op ‘Pastime Paradise’ en daarmee een nieuwe generatie kennis liet maken met Wonders muziek. Ook artiesten als Erykah Badu en Mary J. Blige grepen in nummers terug op dat liedje. Will Smith putte uit ‘I Wish’ voor ‘Wild Wild West’, Françoise Hardy voor ‘Juke Box’. DJ Armand Van Helden verwerkte de opening van ‘As’ in ‘Allright’, de Grammy-winnende hit ‘Saturn’ van zangeres SZA was geïnspireerd op Wonders gelijknamige nummer.
Jazztoetsenist Robert Glasper bracht in 2016 een integraal eerbetoon aan Songs in the Key of Life en is zijn muziek blijven verwerken in zijn hiphopjazz. Trijntje Oosterhuis treedt in september weer op met haar Stevie Wonder-bigbandproject Love’s in Need of Love Today.