Home

De erfgenamen van Rocky (1976) timmeren er nog steeds op los

50 jaar Sylvester Stallones zelfgeschreven boksfilm werd vijftig jaar geleden de lowbudget-filmsensatie.

Dit jaar staat het standbeeld van Rocky Balboa, met de armen in triomf omhoog, eindelijk op de plek waar het hoort: pal voor het Philadelphia Museum of Art. In 1982, toen de bokser toe was aan zijn derde speelfilm, werd het vulgair geachte beeld bij een sportstadion gezet, pas in 2004 vond men na veel debat een plekje voor hem naast het museum. Nu wordt Philadelphia’s beroemdste fictieve burger na een grote expositie op de ideale plek gezet om selfies met hem te maken of TikTok-filmpjes waarin men als Rocky de 72 traptreden opholt om een vreugdedansje te maken.

Dat is hét iconische moment in Rocky, de lowbudget-speelfilmsensatie van 1976. De proletarische underdog is dan klaar voor het titelgevecht met wereldkampioen Apollo Creed na vijf weken keihard sparren, rennen en rammen op bevroren vleesbouten. Rocky’s motivatie is de liefde; hij wil het muizige winkelmeisje Adrian bewijzen dat hij iets voorstelt. „I love you”, koert zij de na vijftien rondes tot moes geslagen Rocky verrukt toe. Door wilskracht, geloof en hard werken verzilvert hij de Amerikaanse Droom. Je zou bijna vergeten dat Rocky Balboa in 1976 de match verliest door een jurybeslissing. De zelfoverwinning volstaat: hij wint ieders respect en stopt met boksen. Probeert dat althans: in de vijf delen van de Rocky-saga die volgen, vecht hij na veel twijfel alsnog voor vriendschap, familie of vaderland.

In deel twee (1979) wordt hij wereldkampioen, in deel vier (1985) mept hij gehuld in stars & stripes de monsterlijke Sovjet-bokser Ivan Drago tegen het canvas en wint zo de Koude Oorlog. Nu, een halve eeuw na dato, timmeren zijn erfgenamen er nog altijd op los: in de hitfilm Creed is de oude Rocky Balboa in 2015 coach van Adonis Creed, zoon van zijn oude rivaal en boezemvriend Apollo. Die Creed-films zijn alweer aan deel vier toe, Adonis’ boksende dochter Amara krijgt straks een spinoff-serie op Prime Video: Delphi.

Zo’n levensduur had niemand voorzien in 1976, toen Rocky met 225 miljoen dollar recette – zo’n 1,3 miljard in huidige dollars – dé Amerikaanse filmhit was en de Oscars voor beste film, regie en montage won. Niet voor beste acteur en scenario, tot chagrijn van de uit het niets gekomen Sylvester Stallone (New York, 1946), een matig articulerende bodybuilder met, dankzij een ongelukje bij de geboorte, een hangende mondhoek.

Dommige bruut

Als acteur – Stallone speelde in 1970 voor het eerst in een film, een softpornofilm – werd Stallone getypecast als dommige bruut; terwijl hij in New York de kost verdiende met vis fileren, uitsmijten en stront scheppen in de dierentuin besloot hij daarom zijn eigen scripts te schrijven. Inspiratie vormde de kalende witte uitsmijter met hangsnor Chuck Wepner, alias ‘The Bayonne Bleeder’, die zich in maart 1974 verrassend vijftien rondes staande wist te houden tegen wereldkampioen Muhammad Ali. Stallone, die werkte aan een scenario over een goedhartige bullebak die schulden int voor de maffia, besloot daar een derderangs bokser van te maken die een kans krijgt en grijpt.

Een producer was bereid 256.000 dollar neer te tellen voor zijn script en wilde Ryan O’Neal of Burt Reynolds in de hoofdrol. Stallone stond er evenwel op zelf Rocky te spelen. Hij kreeg zijn zin, mits het budget onder de miljoen dollar bleef. De rauwe, documentaire stijl van filmen strookte perfect met Stallones ongepolijste, sappige straatdialogen. Alles aan Rocky voelde echt. Quentin Tarantino – als dertienjarige rabiaat Rocky-fan – schreef in zijn boek Cinema Speculation over de stoot energie die er door de bioscoop ging toen Rocky in de eerste ronde kampioen Apollo Creed neersloeg.

De zwarte kampioen Creed – een glansrol van de onbekende Carl Weathers – is als lawaaiige, geestige bluffer gemodelleerd naar Muhammad Ali. We zien Creed in maatpak sigaren roken, zijn pr-machine smeren en deals maken; de zwarte man is het establishment. Hij zoekt een ‘sneeuwwitte underdog’ op de dag dat de VS hun 200-jarig bestaan vieren. Om hem als stootzak te vernederen, en daarmee wit Amerika? Een reporter vraagt het Creed ronduit: „Is het toeval dat je met een witte man wil vechten op de belangrijkste dag van ons land?” Creed blijft het antwoord schuldig, maar komt tegen Rocky de ring in gekleed als Uncle Sam. Amerika’s toekomst is zwart.

Het is verleidelijk om van die omkering – witte man onderdrukt door zwart privilege – een rode lijn naar het wereldbeeld van MAGA en Donald Trump te trekken – zeker nadat Stallone door Trump werd benoemd tot presidentieel ‘ambassadeur in Hollywood’. Apollo Creed is sympathiek, roept zwarte kids op te studeren in plaats van te boksen. In Rocky II stopte Stallone veel van zichzelf in een portret van de arrivé Creed die zich desondanks miskend voelt. Rocky en Creed eindigen als gezworen kameraden – nadat Rocky kampioen is geworden.

Achteraf is goed te begrijpen waarom Rocky zo in de smaak viel. Hollywood – dat met zijn melige Technicolor-musicals weinig volk meer trok – legde begin jaren zeventig zijn lot in handen van een lichting hippie-regisseurs die het jonge publiek wel bereikte met geestverruimende, kritische en sombere films. In 1976 won Martin Scorsese’s Taxi Driver – eenzame psychopaat wordt volksheld – de Gouden Palm in Cannes, legden Network en All the President’s Men de rot van het nieuws en de politiek bloot, viel King Kong tragisch van het World Trade Center en zegevierden in Carrie en The Omen het kwaad. Tussen zoveel zwartgalligheid snakte Amerika weer naar klaarheid, hoop en een happy end. Rocky leverde.

In 1980 kozen de VS met Ronald Reagan een bijpassende president die een terugkeer naar de jaren vijftig beloofde. Stallone was stamgast in zijn Witte Huis, underdog Rocky transformeerde in de jaren tachtig geleidelijk tot een cartoonfiguur die met showworstelaars als Hulk Hogan vocht en de USSR op zijn knieën bracht. De toekomst was aan de bodybuilder.

Film

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next