Home

Op het Rotterdam Bluegrass Festival is de traditionele bluegrass inclusiever dan ooit

Bluegrass Op het Rotterdam Bluegrass Festival klinkt de traditionele Amerikaanse plattelandsmuziek uitzonderlijk progressief. Het festival, een van de belangrijkste in Europa voor het genre, draait om de wijk, de gemeenschap en het samenspel. ‘Hier hoor je veel „fuck het systeem”.’

Amerikaanse banjospeler van Henhouse Prowlers.

Achter een podium van strobalen zitten tientallen bezoekers in een kring op het Rotterdamse Noordplein. Ze hebben hun gitaren mee, banjo’s, mandolines en violen, pardon fiddles. Ze zijn niet alleen naar het Rotterdam Bluegrass Festival gekomen om te luisteren maar ook om te spelen, want bluegrass leer je van elkaar, in de gemeenschap.

Links oefent een koor de typische harmonieën. Rechts zingt een buurtbewoner een Nederlandse tekst op de melodie van ‘Take Me Home, Country Roads’. Een mandolinespeler met volle baard lijkt weggelopen uit de film O Brother, Where Art Thou met spijkeroverall, cowboyhoed en geruite blouse. Een banjospeler met sik en bakkebaarden gaat gekleed in bolhoed en jurk. Daarnaast een vrouw met gitaar, ze heeft haar gezicht vol piercings en de armen en benen vol tatoeages.

„Het voelt hier lekker dorps”, zegt Diede Staal (naveltrui, neuspiercing). Ze draait een sjekkie met haar vrienden, allemaal twintigers uit Groningen, sommigen spelen in een folkpunkbandje, Bridge Goblins. „Het genre lijkt een nieuwe hype te zijn”, zegt Staal. Walda Maat (bril op, zonnebril in de afrocoupe gestoken): „Ik luister eigenlijk niet zoveel naar bluegrass, meer punk, maar ik herken het verlangen naar iets simpels.” Diede Staal vult aan: „En het wordt steeds minder traditioneel. Hier hoor je veel ‘fuck het systeem’.”

Het Rotterdam Bluegrass Festival bestaat sinds 2009 en is uitgegroeid tot een van de belangrijkste Europese festivals in het genre. Zo all-american en ruraal als de muziek van oorsprong is, zo progressief voelt de Rotterdamse versie aan. De plattelandsmuziek komt oorspronkelijk uit de regio van het Appalachengebergte waar veel migranten met Schotse en Ierse roots woonden die over vrij simpele akkoordenschema’s steeds virtuozer speelden op snaarinstrumenten. Tegelijk heeft het genre ook stevige afro-Amerikaanse wortels; de harmonieën doen sterk aan gospel denken.

Festivaloprichter Guido de Groot: „De muziek is open en sociaal, altijd op de gemeenschap gericht, in dit geval onze wijk. Rotterdamse bluegrass is inclusief, rauw en feestelijk.” Dat is heel bewust, zegt hij. Wat begon als een gratis buurtfeest werd met pijn in het hart een betaald festival. „We doen er alles aan om het zo toegankelijk mogelijk te houden voor iedereen.”

Vermoorde vrouwen

Dat je constant moet werken aan inclusiviteit, blijkt uit de verhalen van Celia Woodsmith, Kaia Kater en Cat Clyde, allen belangrijke stemmen in het genre. Op het podium delen ze behalve liedjes ook verhalen over de muziekindustrie. Woodsmith: „In bluegrass hoor je weinig vrouwelijk perspectief. Er zijn vooral liedjes over vrouwen die worden vermoord. Wist je trouwens dat je vrouwelijke muzikanten ook kunt complimenteren met hun talent, zonder opmerkingen over hun lichaam te maken?’’

Özde Özdemir komt al vijf jaar met haar nu tienjarige dochter op het festival. „Dit is klein-Rotterdam, het is laagdrempelig en iedereen mixt met elkaar.” Maar dit jaar kon ze voor het eerst niet, door geldproblemen. Eerst dacht ze nog vrijwilliger te worden, maar ook daarvoor heeft ze geen ruimte. Özdemir mailde de organisatie en die zette haar zonder verdere vragen op de gastenlijst. Het festival werkt samen met buurtorganisaties en houdt de ticketprijs laag middels subsidie en donateurs uit de gemeenschap. Wie het financieel toch niet redt, krijgt steun.

Voor Özdemir brengt het even wat ontspanning. Het gaat haar niet per se om de muziek. Thuis luistert ze klassieke muziek, hardstyle en Turkse muziek, nooit bluegrass. „Maar gisteren zag ik hier die geweldige Congolese band. Wat een feest.”

Zangeressen en singer-songwriters Celia Woodsmith, Cat Clyde en Kaia Kater.

‘Bluegrass Pride’

Dat was de band Kin’gongolo Kiniata samen met de Amerikaanse Henhouse Prowlers, een van de cross-over concerten waar het festival om bekend staat. De Henhouse Prowlers zijn ambassadeurs van de bluegrass. Ze zoeken vooral samenwerking met andere culturen. Banjospeler Ben Wright (T-shirt met regenboogkleuren en de tekst ‘Bluegrass Pride’): „Bluegrass heeft een conservatief imago, maar wij verzetten ons daartegen. Het is juist de muziek die mensen samenbrengt.”

Dit jaar speelden ze op de AZC-boot Silja en deze zondag delen ze het podium met Lucky Fonz III. Ze wilden ook wel eens de Nederlandse liedcultuur leren kennen. Dus zingen ze mee met Lucky’s hit ‘Ik ben een sukkel’. Daarna volgt een bluegrassversie van ‘De vlieger’ van André Hazes en afsluiter ‘Kom van dat dak af’ van Peter Koelewijn.

In het publiek is ondertussen het aantal spijkerjasjes met ‘fuck the system’ toegenomen voor de volgende band: Angry Zeta, een Argentijnse punkband met wasbord, banjo en bluegrassharmonieën.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next