De Zitting Van een pasgetrouwd stel deed de vrouw aangifte van huiselijk geweld. Volgens de verdachte is ze mentaal niet gezond. „In huiselijk geweldzaken is het vaak het ene woord tegen het andere en dat is hier niet anders”, zegt de officier.
Illustratie Leonieke Fontijn
„In de gang begon hij te slaan met zijn vuist op mijn lichaam. Ik ging gillen. Hij pakte me beet en gooide me op de grond en begon te schoppen. Ik bleef hard gillen en toen is hij weggegaan.” De politierechter kijkt op en vraagt: „Wat is uw reactie als ik dit voorlees uit de aangifte?”
„Weet ik niet”, antwoordt de twintigjarige Yasir B., die kort daarvoor in joggingbroek en op zwarte slippers tien minuten te laat voor z’n eigen strafzaak de Haagse rechtszaal binnen snelde.
Zijn advocaat Haroon Raza grijpt in: „De vraag is of het klopt.”
„Nee”, antwoordt de jongeman.
Ook op de vraag van de rechter waarom zijn vrouw aangifte heeft gedaan, antwoordt de verdachte afgemeten. „Omdat zij mentaal niet gezond is.”
B. staat terecht voor mishandeling van zijn partner afgelopen januari in hun woning in Den Haag. Hij wordt ook vervolgd voor het tweemaal overtreden van het huis- en locatieverbod dat hij vervolgens kreeg opgelegd.
Het jonge stel had ongeveer een half jaar een relatie toen ze afgelopen oktober trouwden en gingen samenwonen. Inmiddels liggen ze alweer in een scheiding.
Op de vermeende mishandeling in januari heeft B. een heel andere kijk. Ze kregen die dag ruzie nadat zij kleinerende opmerkingen over zijn financiële situatie had gemaakt. Hij besloot daarop haar telefoon af te pakken – „want die betaalde ik”. In de gang probeerde zij die weer terug te pakken. „Ik heb haar afgeweerd. Zij is gevallen”, zegt B. „Ik ben flink. Zij is klein, mager en dun.”
Vervolgens overtrad hij twee keer het huis- en locatieverbod, omdat hij weer terug naar z’n eigen huis wilde. Inmiddels woont hij daar weer en is de vrouw bij haar ouders ingetrokken.
„In huiselijk geweldzaken is het vaak het ene woord tegen het andere en dat is hier niet anders”, zegt de officier van justitie. Daarom is steunbewijs voor het verhaal van de vrouw van belang. En dat is er, zo wijst de officier op de foto’s van het letsel en de waarneming van de agenten van dat letsel. Hij telt ook de verklaringen van Yasir mee, omdat hij erkent dat sprake was van „een conflictsituatie”.
Met het overtreden van het huis- en gebiedsverbod zijn volgens de officier alle drie de ten laste gelegde feiten bewezen. „Huiselijk geweld is een ernstig feit”, benadrukt hij. „Het heeft veel impact op mevrouw gehad en het is gedrag dat vanuit maatschappelijk oogpunt moet worden afgestraft.” Hoewel volgens de OM-richtlijnen een korte celstraf op zijn plaats is, vindt de officier dat te ver gaan. Hij eist een taakstraf van negentig uur, waarvan de helft voorwaardelijk.
B. lispelt iets onverstaanbaars en zijn ogen schieten vuur. Met een arm maant advocaat Raza hem tot rust. Tijdens het daaropvolgende pleidooi loopt Raza diverse foto’s uit het strafdossier langs. „Ik doe dit werk al 23 jaar. En u, de griffier en de officier nog veel langer”, zegt de advocaat. „Ik heb veel strafdossiers gelezen en moet wel heel fantasierijk zijn om bewijs te zien van letsel van slaan of schoppen. Ik zie een striem en een streep.”
Op zijn laptop klikt hij langs de foto’s van het boven- en onderbeen van de vrouw. „Het lijkt mij niet aannemelijk dat dit komt van een klap of een trap. Dan verwacht je een blauwe plek, bloeduitstorting of iets anders.”
Raza benoemt dat zijn cliënt deze middag onverschillig overkomt. „Hij is ziek en een beetje afwezig.” Maar de jongeman, benadrukt hij, heeft uitgebreide verklaringen afgelegd over die dag: dat het stel ruzie had, hij haar telefoon pakte, zij hem in de gang achterna kwam, hem vastpakte en dat hij zich toen losrukte en ze is gevallen. „Is het mogelijk dat meneer de waarheid spreekt? Zou het letselbeeld niet kunnen passen bij wat hij verklaart?”
De advocaat voelt zich in dat standpunt gesterkt, omdat B. het overtreden van het huis- en gebiedsverbod direct heeft bekend. „Het is niet alsof hij zwijgt of eromheen praat.”
Vanwege onvoldoende steunbewijs vraagt hij om vrijspraak voor de mishandeling. Dat is geen optie voor het overtreden van het huis- en gebiedsverbod, dat heeft B. immers bekend. Daarvoor vraagt de advocaat om een „9a”: een verwijzing naar het artikel in het Wetboek van strafrecht op grond waarvan de rechter iemand schuldig kan verklaren zonder straf op te leggen.
De politierechter trekt zich met de griffier enkele minuten terug.
„Ik moest even nadenken”, zegt ze bij terugkomst. Voor een veroordeling is nodig dat de rechter een strafbaar feit wettelijk en overtuigend bewezen acht. En die overtuiging ontbreekt, vertelt ze. „Bij slaan en schoppen zou je ander letsel verwachten. Het lijkt voor de hand te liggen dat er iets is gebeurd, maar om dat als mishandeling te kwalificeren, gaat mij te ver. Daar spreek ik u dus van vrij.”
De rechter constateert dat de man de huisverboden – die hij overtrad – kreeg opgelegd vanwege de aangifte van mishandeling waarvan zij hem zojuist heeft vrijgesproken. Ze besluit hem, zoals door de advocaat verzocht, schuldig te verklaren zonder straf.
In deze rubriek beschrijven verslaggevers elke week een rechtszaak.