Toen ik op de radio hoorde dat SIRE een campagne lanceerde om mensen aan te moedigen vaker praatjes te maken was ik, stomtoevallig, onderweg naar een training om me te bekwamen in het op straat praten met voorbijgangers. De training werd gegeven door ervaren straatactivisten voor dierenrechten. Die zijn van plan heel juli elke dag van 13.00 tot 19.00 uur in Amsterdam op de Dam te staan om gesprekken te voeren met voorbijgangers.
Wie in het kader van de SIRE-praatjescampagne slachtoffers zoekt, kan op de Dam makkelijk scoren. De praatgrage straatactivisten zijn te herkennen aan witte Guy Fawkes-maskers en tv-schermen. Daarop tonen ze beelden van dieren die op gestandaardiseerde wijze door mensen worden uitgebuit. De activisten staan er dan ook niet voor praatjes over om het even wat, maar om het te hebben over dierenrechten.
Gelukkig legt SIRE geen beperkingen op qua onderwerpkeuze. In hun campagnefilm begint een van de voorbeeldpraatjes zelfs diergerelateerd als de ene buspassagier de andere vraagt hoe haar hond heet. Aan dat soort over de rug van de hond geïnitieerde straatgesprekjes word ik regelmatig onderworpen als voorbijgangers mijn hond aanhalen. Wanneer ik in de stemming ben voor interacties met soortgenoten vraag ik: „U houdt van honden?” Meestal volgt dan een serenade aan de canis lupus familiaris: intelligentie, karakter, veel betrouwbaarder dan mensen, et cetera. Als de slotakkoorden wegsterven, vraag ik: „Houdt u alleen van honden of ook van andere dieren?” Nooit antwoordde iemand: „Alleen van honden, de rest kan doodvallen”. Meestal gaat het van: „Alle dieren zijn me even lief, betrouwbaarder dan mensen…et cetera.”
„Ah! U bent veganist?” vraag ik dan.
„Veganist? Nee. Hoezo?”
„Dus u houdt van dieren, maar u eet ze op?”
Het gesprek is hierna meestal vrij snel afgelopen, maar volgens SIRE hoeft een praatje helemaal niet lang te duren om toch positieve impact te maken.
Volgens de richtlijnen van de training voor dierenactivistengesprekken was ik met de vraag ‘houdt u van honden?’ af geweest. Bij een gesprek over dierenrechten is de afslag nemen naar dierenliefde absurd. Je hoeft immers niet om dieren te geven om tegen hun uitbuiting te zijn, net zoals je niet van kinderen hoeft te houden om te willen dat hun meest basale rechten worden gehandhaafd. Een andere afrader bij activistenpraatjes is de uitbuiting van dieren bij de bio-industrie neerleggen. De oorzaak van het probleem ligt immers niet bij de industrie, maar bij de heersende ideologie dat mensen zo ver boven dieren staan dat we ze naar believen mogen gebruiken. Dit noemen de dierenrechtenactivisten menselijk superioriteitsdenken, wat mij een uitstekend onderwerp lijkt voor verbindende SIRE-gesprekjes: „Bent u ook een menselijk-supremacist?”
De hoofdspreker op de training zei dat veganisten – gedefinieerd als „zij die geloven dat mensen zouden moeten leven zonder andere dieren uit te buiten” – altijd te horen krijgen dat we een piepkleine minderheid zijn. Maar je kunt er gif op innemen dat de koeien, kippen, geiten en varkens in de stallen ook tegen hun uitbuiting zijn. Waar mogelijk verzetten dieren zich tegen hun onderdrukking. Vandaar al die tralies en hekken. Met de dieren meegeteld zijn veganisten in overweldigende meerderheid.
Wie het advies van SIRE wil opvolgen, kan dagelijks op de Dam terecht. Wel loert het gevaar dat je geconfronteerd wordt met je eigen superioriteitsdenken door een soortgenoot die zich duchtig heeft voorbereid op spontane straatgesprekjes. Wie wel praatjes wil maken, maar tevens door wil gaan met dieren uitbuiten en daarover wil zwijgen, kan deze maand de Dam het beste mijden.