Filosofie Twee boeken laten zien dat de deugden niet altijd met conservatisme verbonden hoeven te zijn, maar ook op redelijkheid in de beste zin van het woord kunnen slaan.
Standbeeld van Aristoteles in een park in zijn geboorteplaats Stagira.
Deugden zijn hip, deugden zijn hot. Vooral als ze ontleend zijn aan de respectabele traditie van Aristoteles, de grote Griekse filosoof, of de katholieke metafysicus Thomas van Aquino. In tal van boeken, cursussen en pedagogische instituten worden de deugden die zij onontbeerlijk achtten voor geluk of een geslaagd leven, zoals moed, matiging en praktische wijsheid, aangeprezen en onderwezen. Ook in Nederland staan deugden weer in de belangstelling.
Dat heeft vaak een conservatieve lading. Deugden zouden ons uit het doolhof van het moderne, verbrokkelde individualisme leiden, op weg naar een meer harmonieuze gemeenschap. Politici en intellectuelen van rechtse tot reactionaire signatuur belijden die boodschap, van Rusland en Hongarije tot het rechts-revolutionaire Washington van Trump.
Benjamin Miller: Against Aristotelian Character Education.Routledge, 290 blz.€ 170,- (hardback)€ 57,99 (e-book)
Dat een pleidooi voor deugdzaamheid ook kan zónder conservatisme (of erger), bewijst de Amerikaanse filosoof Krista Lawlor in Being Reasonable, een kort en vlot geschreven pleidooi voor een kardinale burgerlijke deugd, te weten ‘redelijkheid’. Die is verwant aan maar niet hetzelfde als rationaliteit, onderstreept ze, dat is de „blitse neef ervan”. Rationeel handelen, citeert ze psycholoog Steven Pinker, houdt in „kennis gebruiken om je doelen te bereiken”. Het is cognitief, een kwestie van juiste kennis en logisch redeneren.
Redelijkheid is iets anders, meer in de zin van „wees nu eens redelijk”. Het houdt in: je oordeel matigen, niet fanatiek zijn, je kunnen inleven in andermans oordelen en standpunten en daar rekening mee houden. Dat laatste betekent niet dat een redelijk mens over zich laat lopen, aldus Lawlor. Redelijk is niet andermans standpunten klakkeloos overnemen of algoritmisch verdisconteren, maar ze serieus nemen en afwegen tegen je eigen mening, ten dienste van het algemeen belang.
Lawlor illustreert dat met een reeks praktijkvoorbeelden uit vooral de (Amerikaanse) rechtspraak en politiek, waarbij ze zich sterk maakt voor de liberale democratie. Die biedt de beste configuratie voor redelijkheid zoals zij die voor zich ziet. De academische ballast in haar boek is gering, als inspiratiebronnen dienen vooral de politieke filosoof John Rawls en de ethicus T.M. Scanlon. Met zijn invloedrijke A Theory of Justice (1971) leverde Rawls een theoretisch fundament voor de liberale samenleving, inclusief een eerlijke verdeling van rechten en kansen. In What We Owe To Each Other (1998) analyseert Scanlon de wederkerige verwachtingen en plichten van burgers tegenover elkaar.
Krista Lawlor: Being Reasonable. The Case for A Misunderstood Virtue. Harvard University Press, 213 blz. € 41,-
Met haar pleidooi voor redelijkheid als burgerlijke deugd staat Lawlor in die traditie van liberaal contractualisme (het idee dat de samenleving berust op een ‘afspraak’ tussen burgers). Dat maakt haar verdediging van redelijkheid als „miskende deugd” des te opmerkelijker. Deugdethici zijn doorgaans juist wars van het liberale idee dat de samenleving berust op een abstract ‘contract’. Zij zien gemeenschap als het historisch gegroeide resultaat van gedeelde ervaringen en tradities.
Toch komt Lawlor ook dicht in de buurt bij Aristoteles, die ze vreemd genoeg nergens in het boek noemt. Voor de Griekse filosoof was namelijk juist phronesis, praktische wijsheid, wezenlijk voor een goede toepassing van alle andere deugden. Praktische wijsheid of bezonnenheid leert je het juiste midden te vinden tussen uitersten en een gepaste beslissing te nemen in allerlei situaties. Lawlors redelijkheid, een „eigenschap” maar tegelijk een „sociale, emotionele en cognitieve prestatie” doet onweerstaanbaar denken aan die aristotelische phronesis, losgekoppeld van de rest van zijn ethiek.
Bij zoveel vroomheid kan het ook geen kwaad dat er een ketter opstaat die betwijfelt of de keizer wel kleren aan heeft. Van die taak kwijt de Amerikaanse politiek filosoof Benjamin Miller zich in zijn tegendraadse Against Aristotelian Character Education. Dat compacte boek is een opmerkelijke, originele polemiek tégen deugdzame karaktervorming naar aristotelische snit. Althans, de ethiek die Aristoteles ontwikkelde is om allerlei redenen bewonderenswaardig, vindt hij, maar ze is niet geschikt om in een liberale democratie aan iedereen te onderwijzen of te gebruiken als publieke remedie tegen het verval of de normloosheid die deugdethici waarnemen in de moderne samenleving.
Waarom niet? Millers betoog draait om twee stellingen. Allereerst dat de ethiek van Aristoteles niet zomaar een ‘dun’ raamwerk is waar je nog vele kanten mee op kunt, maar een complete theorie die de juiste kennis veronderstelt van deugden en hun samenhang; deugden, aangeleerd in scholing en karaktervorming, vormen een sluitend moreel systeem. Wie moreel handelt moet dus beschikken over de juiste kennis en wéten wat hij doet en waarom, aldus Miller in een nauwgezette lezing van de bekende werken Ethica Nicomachea en Politica.
Miller keert zich met die analyse tegen eigentijdse verdedigers van de klassieke deugdenethiek die menen dat die in de praktijk op allerlei manieren kan worden ingevuld. Hij noemt filosoof Martha Nussbaum als voorbeeld. Het gaat volgens haar bij deugden weliswaar om thick values (‘moed’ of ‘gematigdheid’, tegenover thin values als ‘goed’ of ‘slecht’) maar die laten genoeg ruimte voor uiteenlopende invullingen en modernisering. Dat werkt niet, bezweert Miller. Het aristotelische ideaal van de kalokagathos, de mens die schoonheid en deugdzaamheid in zich verengt, verdraagt zich niet met een pluralistische, representatieve democratie waarin iedereen een stem heeft en niet alleen deugdzaam gevormde individuen. Diepe controverses over abortus, euthanasie, vrijheid van meningsuiting en andere kwesties zijn niet te beslechten met zijn deugdencatalogus – althans niet zonder dwang.
Zijn tweede stelling is dan ook dat de afgeronde ethiek van Aristoteles principieel onverenigbaar is met de liberale democratie, die ruimte moet laten voor meerdere visies op ‘het goede leven’. Burgers kunnen privé veel aan Aristoteles’ deugdenleer hebben – Miller vindt die allesbehalve onzin, hij onderstreept integendeel de psychologische adequaatheid ervan – maar als public good in het openbare domein, met name in het onderwijs, zal ze onvermijdelijk uitlopen op paternalisme. Een liberale samenleving kan niet één moraal tot de enig juiste bombarderen, althans niet zonder haar liberalisme te verspelen.
In die redenering schuilt een derde stelling, namelijk dat liberalisme de meest wenselijke staatsinrichting is. Miller erkent dat je ook een andere conclusie kunt trekken: jammer voor het liberalisme. Maar, zegt hij, dat zou repressie en dwang betekenen voor iedereen die niet gediend is van Aristoteles. Neo-aristotelianen in de geest van Nussbaum beweren bovendien dat ze niet van het liberalisme af willen maar dat met hun deugdenleer juist versterken. Een vergissing, meent Miller, tenzij je Aristoteles op zijn beurt onherkenbaar verwatert. Hij daagt apologeten van klassieke deugdenethiek uit zich er niet van af te maken met algemeenheden maar concreet te worden welke samenleving, met welke rechten en plichten, er uit hun deugdenleer voortvloeit.
Against Aristotelian Character Education is grondig onderbouwd en helder beargumenteerd. Zoals het hoort bij een provocerend boek is op zijn radicale conclusies ook het een en ander af te dingen. Zou een gemoderniseerd aristotelisme echt geen ruimte kunnen bieden aan meer politieke pluriformiteit dan Miller voor mogelijk houdt? Moeilijk te zeggen, omdat deugdethici daar zelf zo vaak vaag over blijven.
Een andere bedenking: Miller bepleit zelf óók een soort deugdethiek, maar dan een die de nadruk legt op democratische deugden zoals tolerantie en pluralisme. Die zijn geen kwestie van karakter of opvoeding maar van publieke scholing en normen. Hij plaatst zich daarmee in de Verlichtings-traditie van Kant en rechtsfilosofen als Rawls.
Maar hoe zijn burgerlijke deugden er precies uit moeten zien, en hoe die dan worden onderwezen, daarover is hij even vaag als de neo-aristotelianen die hij bekritiseert over de hunne. Wie weet zou hij te rade kunnen gaan bij Krista Lawlor. Haar ‘redelijkheid’ is geen kwestie van karakter of persoonlijkheid, maar van collectief gedragen publieke prudentie – alsnog iets van Aristoteles.