Hanneke Schipper tijdens de openbare verhoren van de parlementaire enquêtecommissie over het coronabeleid.
Er was tijdens de coronacrisis „voortdurend sprake van inbreuken op grondrechten door alle opgelegde beperkingen. Maar daar stond tegenover dat de volksgezondheid werd bedreigd en er ook het recht op leven bestaat. Dat is een mensenrecht. Ouderen moesten dus worden beschermd.” Het leidde tot „botsende grondrechten”.
Dat concludeerde Hanneke Schipper tijdens haar verhoor vrijdagochtend bij de Coronacommissie. Zij was tijdens de coronapandemie directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Volgens haar was er „nog nooit zoveel aandacht geweest voor grondrechten als tijdens de coronaperiode”.
In de praktijk ging het recht op leven, de gezondheid, bijna altijd boven andere grondrechten. Schipper: „Niemand wist wat corona was, we noemden het intern ‘de pest’. Dan neem je het zekere voor het onzekere.” Als het Outbreak Management Team (OMT) kon onderbouwen dat een maatregel de besmettingscijfers kon dempen, was de noodzaak voor het nemen van die maatregel eigenlijk al duidelijk, zei Schipper, al moest het kabinet daarna nog afwegen of dat de negatieve gevolgen van de maatregel rechtvaardigde.
Haar afdeling gaf „onder enorme tijdsdruk” advies over de OMT-adviezen: „Het ging bijna 24/7 door.” Soms kwam ze met voorstellen voor uitzonderingen, bijvoorbeeld bij kinderen van mensen met een vitaal beroep, die tijdens de scholensluiting wel naar school mochten. „Het was geen wiskunde.”
De eerste maanden regeerde het kabinet via noodverordeningen. Het kabinet gaf aanwijzingen voor maatregelen, die door het Veiligheidsberaad (de burgemeesters van de 25 veiligheidsregio’s) in een noodverordening werden gegoten. In alle regio’s werd die dan ingevoerd. Op deze werkwijze kwam veel kritiek, onder meer omdat de verordeningen niet door een gemeenteraad werden bekrachtigd.
Toch duurde het negen maanden voordat er een tijdelijke coronawet kwam, een juridische basis voor alle verregaande maatregelen. Dat dat lang duurde kwam door het zomerreces, maar ook, zei Schipper, omdat in het begin van de zomer 2020 het aantal besmettingen terugliep: „Het gevoel van urgentie was voorbij.” Daarna wilden beide Kamers de wet ook nog „grondig en uitgebreid” behandelen.
Over de avondklok zei Schipper dat die op tafel kwam door studenten in studentenhuizen die de maatregelen niet goed naleefden, en waar bovendien niet goed op werd gehandhaafd. Volgens Schipper was dat onvoldoende reden om voor de hele bevolking een avondklok in te voeren. Daarnaast is Nederland een 24uurs-economie en zijn er heel veel mensen ’s nachts aan het werk, vertelde ze. „Bij sommigen heerste het beeld dat de mensen ’s nachts naar bed gaan. Dat is echt anders dan vroeger.”
Pas toen het OMT begin 2021 in een advies stelde dat de avondklok een substantieel effect op besmettingscijfers zou hebben, ging Schipper om. „Ook kwam de Britse coronavariant eraan en die was zeer bedreigend. Toen viel het kwartje bij ons anders. We zaten toen al in een harde lockdown, dus er waren niet heel veel andere zware maatregelen meer te nemen.”
De avondklok zou twee weken duren, maar werd uiteindelijk vijf keer verlengd en zou ruim drie maanden gelden. Bij de eerste verlenging was de impact ervan „niet goed in beeld”, zei Schipper. De avondklok zou als eerste van de maatregelen weer worden afgeschaft, was het idee, maar dat gebeurde niet. De instandhouding van de avondklok werd juist gebruikt als reden om bijvoorbeeld de scholen te heropenen, contactberoepen als kappers, schoonheidsspecialisten en masseurs aan de slag te laten gaan, jongeren weer te laten sporten en winkelen op afspraak soepeler te maken.
Schipper zei dat zij zelf liever de avondklok als eerste zou hebben afgeschaft omdat die zo ingrijpend was: „Maar het was aan de politiek om de knoop door te hakken.”
Binnenlandse Zaken was voorstander van de introductie van het coronatoegangsbewijs (3G: gevaccineerd, genezen, getest) waarmee mensen onder meer weer de horeca en kunst- en cultuurinstellingen zouden kunnen bezoeken. „Het zou andere grondrechtbeperkende maatregelen zoals de sluiting van de horeca weer ongedaan kunnen maken”, zei Schipper. „Het was een middel om maatregelen te verlichten.” Ze noemde de invoering van de coronapas „niet zo ingrijpend”. Het coronatoegangsbewijs kwam de horeca tegemoet, zei Schipper, maar die sector zelf zag het helemaal niet zitten en noemde het juist een verzwaring van de maatregelen.
Het coronatoegangsbewijs zou later moeten worden uitgebreid naar onder meer het onderwijs, de werkvloer, de winkels en de zorg, zo was het idee. „Voor werknemers ging dat wel heel erg ver”, zei Schipper daar vrijdag over. „Als je je baan wilde houden, moest je je daaraan onderwerpen.” Bij niet-essentiële winkels was het juist wel een goed idee, zei ze, omdat die dan weer open konden gaan.
Over het idee om over te schakelen naar 2G (alleen toegang als je gevaccineerd of genezen was) was Schipper minder enthousiast. Ze noemde het „een indirecte vaccinatieverplichting” en vond dat eerst 3G zou kunnen worden uitgebreid naar alle sectoren. Maar, zei ze erbij, het invoeren van 2G „was onder omstandigheden geoorloofd dus niet uitgesloten”. Ze verwees daarbij naar uitspraken van het Europees Hof van Justitie. Het kabinet maakte toch een wetsvoorstel voor 2G, maar dat strandde uiteindelijk in de Tweede Kamer.