Uitgaan in de auto is in Rotterdam een fenomeen: met een paar vrienden in de wagen, muziek hard aan, steeds hetzelfde rondje rijden in de binnenstad, door straten met veel publiek. Zien en gezien worden.
Het is dus even schakelen voor Rotterdammers. De stenige stad moet een groene oase worden, met zo min mogelijk auto’s. Toen de aanwezigen in linnen zomerpakken en fleurige zomerjurken tijdens de presentatie van het coalitieakkoord afgelopen week hard klapten voor de beoogde wethouders, dacht ik aan de vele autoliefhebbers in Rotterdam. In enkele straten met veel terrassen en cafés waar nu nog op pittig tempo doorheen wordt gecruised, mag de auto straks zelfs niet meer komen.
Wat zouden die toerende Rotterdammers daarvan vinden? Ze om hun mening vragen is lastig, juist omdat ze in de auto zitten, en daarin blijven. Vorige zomer probeerde ik dat samen met een collega voor een verhaal over de Zwart Janstraat, een geliefde straat om de uitlaat even te laten knallen. We hadden iedereen in de straat gesproken, behalve de mannen in hun auto’s. We besloten ze te laten stoppen door zelf maar voor de auto te springen. De terrasbezoekers gingen er eens goed voor zitten. Ik voelde me uitgelachen.
Ze stopten, ze moesten wel. Maar wilden niets vertellen. Uiteindelijk was ene Kevin wel bereid. Hij parkeerde zijn Range Rover Sport P530 in een zijstraat en nam de tijd. Hij reed in Rotterdam-Noord omdat hij in die buurt was opgegroeid en er nog steeds woonde. Hij had een eigen bedrijf en vond het leuk om te laten zien dat het hem goed ging.
Deze week ging ik niet naar de Zwart Jan maar naar Crooswijk om Aad Mostert, garage-eigenaar van autobedrijf Alert en autokenner, te vragen naar zíjn mening. Al sleutelend zegt de liefhebber van mooie auto’s dat hij een autoluwe binnenstad helemaal geen gek idee vindt. „Maar dan zouden de metro en tram in het centrum gratis moeten zijn.”
In mijn lievelingscafé De Koperen Toog in Rotterdam-West heeft eigenaar Dogan Korkmaz nog niet over de plannen gehoord, maar vindt het prima. Al doet hij zelf alles met de auto.
Dan heb je hier straks geen parkeerplekken meer, zegt Martin (78) vanaf zijn barkruk. „Iedereen zet zijn auto in deze wijk.”
„Prima toch”, zegt Korkmaz opgeruimd. „Die lopen dan hier binnen voor koffie.”
Of wat sterkers, zeggen de mannen aan de bar.
Even stangen. Dat mag óók niet meer, hè? De Gezondheidsraad adviseerde om geen alcohol meer te drinken. „Een betuttelend advies van geitenwollensokkentypes”, vindt Martin.
De mannen aan de bar zijn het met hem eens. Een van hen bestelt een Grogue. Het is 11 uur in de ochtend. Het is een van de sterkste drankjes die we hebben, zegt de bardame en laat de fles zien. 42 procent alcohol. Er zit geen smaak aan, zegt de man. „Het gaat om het gevoel. Als het koud is, maakt het je warm. Is het warm dan koel je af.”
„Het is een drankje voor cabo’s”, (Kaapverdianen) zegt de man naast hem achter een koffie. „Wij Surinamers drinken Borgoe.” De bardame laat de fles zien: 38 procent alcohol. De man: „Borgoe is wat zoetig, je drinkt het met een gezouten pruimpje in het glas. Ik vind het nu te vroeg hoor. Ik moet nog sporten.”
„Wij drinken Raki als het lekker weer is”, zegt een Turks-Nederlandse man, aan de andere kant van de bar.
Ik heb alles hoor, zegt Korkmaz.
Precies, zegt Martin. Hij wijst naar een fles jenever. Daar bestelt hij ’s avonds graag een glas van. „On the rocks.” En niemand die zegt dat het niet mag. Zijn auto wil hij best laten staan als dat van de gemeente moet, maar over zijn drankje gaat hij zelf.