Maria Reva Overal in haar kluchtige roman schemert de oorlog in Oekraïne door. Reva laat daarmee goed zien hoe in het dagelijks leven van een emigrant trauma, wanhoop en schuldgevoel met elkaar wedijveren.
Slakken worden getraind voor een race.
Hoe schrijf je vanuit de diaspora over een oorlog in het land waar je geboren bent? Mag je er wel over schrijven? Is je verdriet geldig? Het zijn allemaal vragen waar Maria Reva (Cherson, 1989) in haar roman Laatsteling mee worstelt. Reva verhuisde op haar zevende met haar ouders naar Vancouver. In Canada bouwde ze een carrière als schrijver van operalibretto’s en een succesvolle verhalenbundel (Good Citizens Need Not Fear, 2020) op. Terwijl ze aan haar debuutroman werkt, valt Rusland Oekraïne binnen. Zit ze dan, met haar verhaal over een vrouw die de postorderbruidenindustrie omver wil werpen.
Maria Reva: Laatsteling. (Endling) Vert. Anna Helmers-Dieleman.
Cossee, 380 blz. €26,99
Dat is ook het verhaal waarmee de lezer Laatsteling in gelokt wordt. Een ietwat kluchtige en soepel geschreven geschiedenis over onderzoeker Jeva, die in het mobiele lab waar ze ook woont ‘laatstelingen’ verzamelt: slakken die de laatsten in hun soort zijn. Het is als Oekraïense moeilijk om geld los te peuteren voor haar onderzoek: wie zegt, aldus een commissie, dat ze haar lab niet gebruikt voor het ontwikkelen van chemische wapens? Aangezien Jeva ook bloedmooi is, besluit ze het geld op een andere manier te verdienen: ze gaat als ‘bruid’ werken voor een huwelijksbureau, waar ze dates heeft met westerse mannen. Niet dat ze wat van die mannen wil, behalve hun geld: Jeva is aseksueel. Sterk is dat Reva dit niet Het Grote Probleem van Jeva maakt – de enige die een probleem heeft met haar geaardheid is haar moeder, die haar wanhopig aan de man, desnoods vrouw, wil.
Wat Jeva’s probleem wel is, is dat de slakken zo deprimerend snel uitsterven en dat ze er zelf eigenlijk ook niet zoveel zin meer in heeft. Vlak voor ze op theatrale wijze uit het leven wil stappen, komt ze echter in contact met Nastja en Sol: dochters van een Femen-achtige activiste die van de aardbodem verdwenen lijkt, en die ironisch genoeg nu hun geld verdienen als respectievelijk bruid en haar tolk. Nastja, gedreven door weinig anders dan het verlangen naar aandacht van haar verdwenen moeder, heeft een plan: kunnen ze niet wat van die westerse vrijgezellen gijzelen in Jeva’s lab? De media-aandacht die dat oplevert zou de huwelijksbranche omver kunnen werpen! Schoorvoetend geeft de chronisch chagrijnige Jeva toe. Het kluchtige verhaal wordt zo mogelijk nog kluchtiger, maar ook, door de verschillende perspectieven (Nastja, Jeva, maar ook een van de vrijgezellen: de Canadees-Oekraïense Pasha) wat wijdlopig. Dan, terwijl ze met de ontvoerde vrijgezellen in het lab wegrijden, breekt de oorlog uit.
Dat was niet de bedoeling. Niet van de personages, en al helemaal niet van de auteur, die woest uit haar eigen verhaal geslingerd wordt.
Wat volgt is Reva zelf, die vanuit Vancouver de ontwikkelingen in haar geboorteland gadeslaat („Een oorlog vanuit het buitenland bekijken in plaats van zelf doormaken vormt zijn eigen verschrikking.”), en vervolgens in een soort-van-fictief gesprek belandt met een soort-van-fictieve literair agent, die graag wil dat ze haar roman over de postorderbruiden hervat. Maar Reva kan het niet meer aan, die clichés over Oekraïne.
Je leest dan een gesprek tussen ‘Onbekende schrijfster’ en ‘Joertmakers’, onder meer over wat een stevige roman/joert is, maar ook over de vraag: waarom moet een land eerst gebombardeerd worden voor we er iets om geven? Je leest een briefwisseling tussen Reva en de redactie van een opinieblad, waarin de redactie te kennen geeft dat het misschien een beetje te vroeg is voor een stuk over humor als daad van overleving in Oekraïne („we vrezen dat de toon niet helemaal aansluit bij de gevoelens van onze lezers. ([We] hoopten op uw perspectief als Oekraïense emigrant die de gruwelen vanuit het buitenland ziet voltrekken (zachte nadruk op gruwelen)”). Je leest een subsidieaanvraag voor een reisbeurs naar Oekraïne: de auteur belooft om zelfs als ze onder vuur komt te liggen Covid-tests en mondkapjes niet te vergeten. Wrang, slim, gelaagd. Soms weinig subtiel, gezien de overduidelijke paralellen tussen Reva en Jeva (zo krijgt Jeva te horen, als ze zich uitlaat over klimaatzorgen: ‘waarom schrijf je geen opiniestuk?’, en wringt ze zich in bochten om geld aan te vragen). Reva, wil ik maar zeggen, windt er geen doekjes om: ze bevindt zich in een onmogelijke positie.
Net als de lezer, want die wordt vervolgens doodleuk weer meegenomen in de roman over de postorderbruiden en slakken. Maar de leeservaring blijft schokkerig; de vertelling krijgt meerdere eindes en blijft onderbroken worden door bespiegelingen, interviews en zaken als een fictief dankwoord. Dat is interessant, pijnlijk en humoristisch, maar zorgt er wel voor dat de roman-in-de-roman een beetje bijzakerig wordt: ook omdat je inmiddels door hebt dat de personages zo’n overduidelijk construct zijn.
Je zit als lezer lang met die constructen opgescheept, die desalniettemin de vorm hebben van personages waarmee je mee zou moeten leven. Ook de overdaad aan thema’s en personages kan wat murw maken. Neemt niet weg dat Reva het gespleten leven dat ze moet leiden, hoe trauma, wanhoop en schuldgevoel daarin wedijveren, indringend verbeeldt. Hartverscheurend is het verhaal over haar grootvader, die ze met de beste wil van de wereld niet uit Cherson krijgen. En, toegegeven, het is meer dan vernuftig hoe al deze elementen, subtiel en minder subtiel, terugkomen in een klucht over vrijgezellen, slakken en de bruiden. Alles smelt samen.