Home

Lieke Kézér schreef een meeslepende roman over ontworteling en veerkracht

Lieke Kézér In haar derde roman laat ze zien hoe mensen in ellendige historische periodes de veerkracht hebben om te overleven, te helen en weer opnieuw te beginnen.

Kinderen uit Boedapest komen in 1947 in Zwitserland aan om te herstellen.

Wat als je moet kiezen tussen je kind zien vermageren of het voor onbepaalde tijd laten afreizen naar een ander land, waar het kan aansterken bij vreemden? Het is een dilemma dat overdwars in je keel blijft hangen, ook als je zelf geen ouder bent. In haar derde roman Karel, Károly werkt Lieke Kézér deze vraag uit in een sfeervol, doorleefd verhaal. Het leven van de elfjarige Károly in Hongarije is van de ene op de andere dag afgelopen, als hij met de kindertrein naar Nederland wordt gestuurd. Op het platteland van een klein Drents dorp transformeert Károly in Karel, een ontwortelde jongen die opnieuw moet aarden in een boerenbestaan, ver weg van zijn ouders, broers en zussen. Hij bouwt er een eigen leven op, met laagjes nieuwe werkelijkheid die hij over een oude wond legt.

Lieke Kézér: Karel, Károly. De Arbeiderspers, 304 blz. €23,99

Karel, Károly wordt verteld in zeven delen, in een estafette kijken we mee met Károly, Anna, Antonie en Edie, van 1920 tot 1976, langs scharnierpunten van Károly’s levensgeschiedenis. We beginnen in Hongarije, verteld door Anna, Károly’s moeder. Wanneer de pastoor aanraadt om kinderen naar het buitenland te sturen, waar ze worden opgevangen door ‘goede gelovigen’, is Anna hier faliekant op tegen, maar de kwelling van het moeten aanzien van haar vermagerende kinderen, geeft de doorslag. De keuze om Károly op de kindertrein te zetten valt haar zo zwaar dat ze geen afscheid kan nemen.

Hij vertrekt dus op een ochtend met zijn vader, in wier karakter een zekere afstandelijkheid zit, en zal zich altijd „haar woordeloze aftocht herinneren”, blijkt uit het deel waarin we met Karóly meekijken. Daar zit zijn pijn: in haar houding ziet hij niet het onvermogen van zijn moeder, maar een gebrek aan liefde.

Onder de hoede van een stel stugge zwijgzame boeren die geen geld hebben voor knechten, maar wel een overschot aan werk, begint hij zijn nieuwe leven als Karel. Het is een plek waar je niet met je mond spreekt, maar met je spieren, en dat blijkt precies te zijn wat Karel van het leven verlangt. Hij raakt vertrouwd met de warmere boer Antonie, de taal, het boerenbedrijf, de andere Hongaarse vluchteling Ferencz, ‘Ferry’, een paar dorpsjongens en uiteindelijk zijn vrouw Edie.

Terug naar Hongarije

Pas twintig jaar later zit hij in de trein terug naar Hongarije, niet per se om een weerzien, maar eigenlijk alleen om zijn geboorteakte op te halen. Er komt een pijnlijke flard van het verleden terug: „Hij dacht dat hij kinderen hoorde huilen, maar toen zijn ademhaling minder jachtig werd verdween het geluid en hij ging weer op zijn rug liggen.” De onzekerheid en angst die hij als elfjarige jongen ervoer in de kindertrein, een trauma dat hij wegstopt in hard werken en weinig praten, steekt hier de kop op. De hereniging die volgt is tragisch. Hoewel hij na al die jaren en kilometers eindelijk weer bij zijn ouders aan tafel zit, wordt zichtbaar dat de afstand gigantisch en voorgoed onoverbrugbaar is: „Stijfjes zat hij op zijn stoel, op formele toon gaf hij antwoord op de vragen die ze hem stelden. Hij zag dat het zijn moeder ontregelde, haar handen trilden licht, waarna hij de taalbarrière als iets positiefs begon te zien, het schepte de afstand die hij prettig vond.”

Het bezoek aan zijn familie is op alle vlakken lastig: niet alleen spreken ze een andere taal, ook blijkt er een belangrijke gebeurtenis te zijn verzwegen. Wat wellicht met de beste bedoelingen ten uitvoer werd gebracht, ervaart Karel telkens als onverschilligheid. Als hij het bezoek afbreekt en huiswaarts keert, is het afscheid opnieuw kil, maar nu op zijn initiatief. „Hij had ineens spijt dat hij zijn ouders niet met meer woorden geconfronteerd had, dat hij ze zo gemakkelijk met alles had laten wegkomen. Met het buitensluiten, de afstand, het verzwijgen. Met alles wat ze voor hem besloten hadden.” Je begrijpt de keuze én je begrijpt hem niet.

De kindertrein heeft echt bestaan: te midden van de ontberingen door de Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende revoluties, werden er tussen 1920 en 1930 bijna dertigduizend kinderen op kindertransport naar Nederland gezet. Het fenomeen kwam recent al langs in de novelle Kindertrein uit Boedapest (2024) van Emy Koopman en in de radiodocumentaire Het Spoor Terug: Het schriftje uit Bor (2021) van Marian van der Pluijm. Kézér gebruikt haar eigen voorgeschiedenis om hier op haar beurt een meeslepende roman aan toe te voegen.

Veertien kinderen

De roman stelt de vraag hoe mensen standhouden wanneer ze worden opgeslokt door een naargeestige geschiedenis. Tegelijkertijd toont Karel, Karóly de veerkracht die mensen óók hebben, om te helen en altijd weer opnieuw te beginnen, niet in de laatste plaats omdat ze hulp krijgen. Zo gonst het van het leven in deze vertelling, maar op de achtergrond sluimert telkens de dood. Terwijl Karel zijn eigen gezin vormt – hij zet maar liefst veertien kinderen op de wereld – walst de Tweede Wereldoorlog over hun leven: er is voortdurend het gevaar van neerstortende vliegtuigen en de ontdekking van het Joodse gezin dat in de schuur onderduikt. Ook later steekt weer het verhaal de kop op van ontworteling, vluchten en opvangen, wanneer Ferry’s zoon Andras Hongarije ontvlucht na de inval van de Russen en net als zijn vader jaren eerder wordt opgevangen door Antonie.

Kézér toont zich een begenadigd auteur die geen moment haar grip verliest: ze schakelt moeiteloos tussen vertellers en houdt de lezer voortdurend geboeid. Voor dit verhaal putte ze uit het leven van haar grootvader, waarbij ze de gaten opvulde met fictie. Dit wordt bondig toegelicht in het nawoord; in het verhaal zelf blijft dit onzichtbaar: wat waargebeurd is en wat niet, blijft ongemoeid. De verhaalwereld staat op zichzelf: de auteur komt er niet tussen te staan. Het resultaat is een verhaal dat klassiek aanvoelt, met soms wat sleetse taal (‘Sprookjes op de mouw spelden’ of ‘draven alsof de duivel hem voortjoeg’), maar vaak genoeg ook treffende observaties en sfeervolle decors. Dat die decors hier en daar voorzien worden van politieke context, met het risico wat schools te worden, lijkt onontkomelijk.

Károly is getekend voor het leven. De strijdlust die volgt, uit zich in onophoudelijke pogingen om zijn bestaan weer te lijmen. De boerderij is de belangrijkste plek in deze vertelling: het is zijn baken, beschermt hem en voorziet hem van een onophoudelijke stroom werk. Dat geeft hem zowel richting als afleiding. Karel, Károly, blijft de schouders eronder zetten, terwijl je als lezer voortdurend voelt dat het zachtjes maar onophoudelijk lekt in zijn ziel. Het wordt schrijnend duidelijk dat het gemis van kleine zachte krachten (een afscheid, het delen van gevoelens) een genadeloos harde doorwerking kan hebben. Kézer weet diep door te dringen in de beweegredenen van een beschadigde gesloten man en dat levert een fascinerende geschiedenis op.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next