Dichters vertellen vaak een hogere waarheid, zeker als ze ook nog essays schrijven. Jean Pierre Rawie is zo iemand. Met veel ironie en kennis van de grote werken uit de literatuur beschouwt hij vanuit Groningen de wereld. Een enkele keer gaat hij op reis om zijn opvattingen in de praktijk te toetsen.
Met name dankzij die eigenschappen is Gebonden aan de waarheid, zijn nieuwe essaybundel, een genot om te lezen. Vooral als hij het over de petit histoire van grote mannen heeft. Dat hij zijn gebrek aan internationale dichtersroem daarbij weet te relativeren maakt zijn stukken soms nog vermakelijker.
Het begint meteen goed als Rawie op Sicilië een kasteel bezoekt en een suppoost bij het horen van het woord Olanda een lofzang op Cees Nooteboom begint. „De grootste dichter die hij kende!” schrijft Rawie. „Alles wat in het Italiaans van Cees Nooteboom vertaald was had hij verslonden, gedichten, maar ook romans en reisverhalen; wat een genie, Cees Nooteboom!” Rawie krimpt ineen van afgunst. Maar zodra zijn vrouw opmerkt dat ook haar geliefde dichter is, roept de suppoost tegen een passerende schoolklas-op-excursie „Ecco un Poeta!”, waar hij tot Rawie’s opverende gemoed aan toevoegt dat kinderen en dichters de toekomst hebben.
Even vermakelijk zijn Rawie’s herinneringen aan begin jaren zeventig, toen hij Russisch studeerde in Groningen. Het piepkleine instituut voor Slavische talen huisde toen in een voormalige dokterswoning, waarvan de studenten de sleutel bezaten zodat ze „na sluitingstijd van het café” nog iets konden nakijken in de bibliotheek. Dankzij zijn docent Kees Verheul ontdekte hij in die dagen de poëzie van Joseph Brodsky. Nadat die dissidente dichter in 1991 Amsterdam bezocht, zag Rawie hem in een lunchroom een broodje haring verorberen. Hoe graag was hij toen niet op Brodsky afgestapt om een van diens gedichten, die hij uit het hoofd kende, in het Russisch te declameren. Maar schroom weerhield hem. Zijn enige troost was dat toen hij dit voorval later aan Karel van het Reve vertelde, deze antwoordde dat hij het ook niet gedurfd zou hebben.
Het wemelt in deze bundel van de historische anekdotes, zoals over koning Willem II, die door zijn dronken zoon tijdens een orgie op Het Loo zou zijn doodgeschoten, wat tot op heden verdoezeld wordt. Maar het vermakelijkste verhaal gaat over de opportunistische Franse politicus Talleyrand (1754-1838). Onder het ancien régime begon hij zijn carrière als bisschop (met maîtresses), om na de Franse revolutie als minister van Buitenlandse Zaken te dienen onder achtereenvolgens het Directoire, Napoleon, Lodewijk XVIII en Karel X, en onder de Julimonarchie te eindigen als ambassadeur in Londen.
Over Frankrijk beweerde Talleyrand dat het twee geloven had en 360 kazen. Brie de Meaux was volgens hem le roi des fromages. Waarop Rawie schrijft: „Dat is dan, fluisterden boze tongen, de enige koning die hij zijn hele leven trouw is gebleven.”