Persgeschiedenis Met haar boek over de strijdbare Joodse journalist en sociaaldemocraat Paul Sanders belicht cultuurhistorica Claartje Wesselink een opmerkelijk hoofdstuk uit de Nederlandse persgeschiedenis.
V.l.n.r. Paul Sanders, Jacques en Frieda Tas, Piet Mondriaan, Tine en Georges Vantongerloo in Parijs, 1925.
Op zich is het leven van journalist Paul Sanders (1891-1986) niet heel bijzonder. Hij was geen groot stilist of polemicus zoals zijn tijdgenoot Menno ter Braak en kwam nooit met baanbrekende onthullingen. Maar zodra je inzoomt op zijn daden besef je met een eigenzinnig iemand te maken te hebben die op kleine schaal bijdroeg aan de grote maatschappelijke en politieke ontwikkelingen van zijn tijd.
Claartje Wesselink: De strijd van Paul Sanders. Een Joodse journalist in de vuurlinie van de 20ste eeuw: Amsterdam, Berlijn, New York. De Arbeiderspers, 360 blz. € 24,99
Nu kun je je afvragen of zoiets een biografie rechtvaardigt. Tenslotte zijn er meerdere onbekende journalisten te vinden voor wie hetzelfde geldt. Toch is het de Groningse cultuurhistoricus Claartje Wesselink gelukt om met De strijd van Paul Sanders een boek te schrijven dat alleszins de moeite waard is. Ook al gaat het over iemand die aan de zijlijn van de geschiedenis stond.
Een echte biografie is haar boek echter niet, al beschikte Wesselink over voldoende materiaal daarvoor, zoals Sanders’ memoires, een koffer vol brieven en de getuigenis van zijn zoon Ben. Daarentegen koos ze voor een impressionistische aanpak door een aantal belangrijke persoonlijke, culturele en politieke gebeurtenissen uit zijn leven te belichten. Ondanks dat ze haar verhaal begint met Sanders’ geboorte in Amsterdam en eindigt met zijn dood in Amerika lijkt het haar in de eerste plaats om de woeste en bloeddorstige 20ste eeuw te doen en dan vooral om de rol van het verheffingsideaal van de arbeidersbeweging.
Het leven van Paul Sanders staat model voor dat van de Joodse assimilatie in het Nederland van rond 1900. Je kunt daar geen genoeg van krijgen, zo boeiend zijn de verhalen van velen over hun snelle sociale stijging en hun ontsnapping aan de armoede van het getto.
Geboren in een geassimileerd Joods middenklasse-gezin, met een vader die alleen lagere school had maar zich opwerkte tot een succesvol effectenhandelaar op het Damrak, kreeg Paul alle kansen om als volwaardig burger de nieuwe tijd te betreden waarin het traditionele antisemitisme alleen nog incidenteel zijn gezicht liet zien. Wesselink beschrijft dat Joodse Amsterdam zo levendig dat het is alsof je erin geparachuteerd wordt. Haar beeldende, soms ronduit literaire stijl zorgt er zelfs voor dat De strijd van Paul Sanders boven veel levensbeschrijvingen van bekendere goden uitstijgt. En juist dat maakt haar boek zo bijzonder.
Als kind raakte Paul in de ban van de klassieke muziek. Hij wil violist worden, en als dat niet lukt, componist. Maar zijn vader ziet geen toekomst in dat beroep. Als Paul op het gymnasium Multatuli’s Max Havelaar leest en een opstel schrijft over koloniale uitbuiting, levert dat hem het ongenoegen op van zijn patriottistische leraren. Met een vleugje antisemitisme in hun eindbeoordeling laten de commissieleden hem zakken voor het eindexamen. Paul raakt er overspannen door en gaat kuren in Wiesbaden, waar hij opnieuw troost zoekt bij de muziek. Als hij daar te horen krijgt dat hij vanwege zijn slechte fysieke gestel een carrière als concertviolist wel kan vergeten, voegt hij zich naar de wensen van zijn familie en gaat hij in 1911 op een bank in Berlijn werken.
Berlijn bruist in die dagen van artistieke en politieke energie. Paul komt in aanraking met – veelal Joodse – collega’s die hem in kunstkringen introduceren. Picasso, Van Gogh, de schilders van de Blaue Reiter, Edvard Much, Klee, Braque, hij leert om naar hun werk te kijken. Zijn ontdekking van geëngageerde kunstenaars als Käthe Kollwitz en Heninrich Zille brengt hem ook in aanraking met het socialisme. En in dat kamp vindt hij zijn roeping. Vandaar ook het woord ‘strijd’ uit de titel van Wesselinks boek.
Als in 1914 de wereldoorlog uitbreekt en hij naar Amsterdam terugkeert weet Paul eindelijk wat hij echt wil: schrijven over muziek. Hij neemt privélessen bij dirigent Sem Dresden, ontwikkelt zich tot een ongediplomeerd muziekwetenschapper en meldt zich als kersvers lid van de SDAP aan bij de sociaaldemocratische krant Het Volk. Verdieping van de kennis van de arbeidersbevolking, dat is wat hij in het vervolg nastreeft. En daarin zal hij de komende jaren naam maken.
Paul Sanders (zittend in het zand) en zijn vrienden Jacques Tas (staand) en Bob Luza, Zandvoort 1918
In Amsterdam belandt hij in het kunstenaarswereldje van Adriaan Roland Holst, toneelspeler Jan Musch en De Stijl-kunstenaars Georges Vantongerloo en Piet Monriaan. Die laatste zoekt hij ook op in Parijs, waar hij een paar maanden op reportage is.
Zijn Berlijnse ervaringen en vriendschappen zorgen ervoor dat hij na 1933 als een van de eerste Nederlanders ziet wat de wereld te wachten staat nu Hitler aan de macht is. De kunst mag volgens hem dan ook niet aan de zijlijn toekijken, maar moet stelling nemen. Zijn pijlen richt hij nu op dirigent Willem Mengelberg, die behalve in Nederland ook in nazi-Duitsland een coryfee is en meent dat muziek apolitiek moet zijn. Anders dan de meeste muziekjournalisten wordt Paul Mengelbergs luis in de pels, die niet ophoudt hem te bekritiseren.
Als in 1936 de Olympische Zomerspelen in Berlijn worden gehouden, loopt Paul voorop in het koor van critici. Het is volgens hem een gotspe om aan zulke Spelen deel te nemen als er in het organiserende land mensen in concentratiekampen worden opgesloten. En omdat de Olympische Spelen in die tijd ook nog een onderdeel voor kunstenaars bevatten, organiseert hij samen met onder meer schrijfster Annie Romein de protesttentoonstelling D.O.O.D. (De Olympiade Onder Dictatuur ), waaraan honderdvijftig beroemde kunstenaars uit binnen- en buitenland meedoen.
Tot zover gaat het voorspoedig met Pauls activistische carrière. Maar met de Duitse invasie op 10 mei 1940 komt er een einde aan. Joodse journalisten worden door hun directies ontslagen.
Paul verdient aanvankelijk nog zijn geld met kunst- en muziekcursussen, maar beseft na de grote razzia in Amsterdam in juli 1942 dat hij moet onderduiken als hij het vege lijf wilde redden. Hij heeft het geluk dat hij in diezelfde tijd een nieuwe liefde vindt: de Duitse sociaaldemocrate Hilde Surlemont, met wie hij in 1945 zal trouwen. Zij verbergt hem in haar huis in Amsterdam, waar hij de oorlog overleeft.
Opmerkelijk is dat die oorlogsperiode de ‘minst’ interessante hoofdstukken in Wesselinks boek beslaan. En juist dat is er zo goed aan, omdat je je wel kunt voorstellen hoe het er voor een vervolgde Jood aan toeging. Meer aandacht heeft ze voor de periode direct na de oorlog als Paul in een ereraad komt te zitten die tuchtmaatregelen oplegt aan collaborerende musici. Paul meent dat iedereen die heeft meegedraaid in het officiële muziekleven tijdens de bezetting een beroepsverbod moet krijgen. Het brengt hem in aanvaring met de rekkelijken in het Nederlandse culturele wereldje. Gevoegd bij het feit dat een groot deel van zijn Joodse en niet-Joodse vrienden uit zijn tijd bij Het Volk de oorlog niet heeft overleefd, leidt dat tot een diepe teleurstelling bij hem. Als hij door de hoofdredacteur van Het Parool, waar hij op voorspraak van zijn vroegere Het Volk-collega Simon Carmiggelt is komen werken, in 1946 naar Amerika wordt gestuurd voor een paar reportages, bevalt het hem daar zo goed dat hij en Hilde er blijven. Het oude Europa is door de oorlog te zeer besmet geraakt.
Paul Sanders in 1974.
Het ook op kunstgebied dynamische Amerika, waar zijn oudere broer Martijn al sinds 1940 woont, verschaft hem nieuwe levenslust. Als correspondent voor Het Parool gaat hij nu ook schrijven over maatschappelijke kwesties, zoals de achterstelling van de zwarte bevolking. Tot het eind van zijn leven zal Paul Sanders in Amerika blijven opstaan tegen maatschappelijk onrecht.
Deze strijdbare ‘kleine man’ krijgt door het met veel empathie geschreven boek van Wesselink een gezicht dat hij verdient. Pauls optimisme en hoop op een betere wereld zouden menigeen dan ook tot voorbeeld kunnen dienen. Zeker in de huidige donkere tijden.