250 jaar Verenigde Staten 250 jaar geleden werd de Declaration of Independence afgekondigd, ook wel het belangrijkste document in de geschiedenis van de Verenigde Staten genoemd. Voor de redactie van Boeken aanleiding om aan zeven auteurs die een speciale band met dat land hebben te vragen: welk boek zou iedereen moeten lezen om de VS te begrijpen?
De Verenigde Staten anno 2026 willen begrijpen, blijft een poging de (her)verkiezing van de huidige president te bevatten. En waar mogelijk een glimp op te vangen van wie en wat daarna komt. Boekenkasten vol non-fictie zijn geschreven om uiteengespatte ‘Amerikaanse dromen’, uitzichtloosheid, ressentiment en opportunisme te doorgronden. En daarmee de Trump-stemmer.
Eén van de vroege duiders van de populistische aantrekkingskracht was, destijds ‘Never Trumper’ en tech-investeerder, JD Vance. Hij schreef Hillbilly Ellegy (2016), zijn memoires over opgroeien in deïndustrialiserend Ohio en de zwelgende lamlendigheid die hij daar zag, onder meer bij zijn verslaafde moeder. Vance noemde Trump destijds „culturele heroïne”: korte termijn verlichting, maar eerder een probleem erbij dan een oplossing. Inmiddels is vicepresident Vance zelf een drugsbaron.
Barbara Kingsolver: Demon Copperhead. Vert. Monique Ter Berg. Meulenhoff, 544 blz. € 24,99
De realiteit kan gekker zijn dan fictie, maar niet mooier. „Als een moeder in haar eigen pis en pillen ligt, terwijl het kind dat ze net geworpen heeft tikken krijgt om een teken van leven te geven, is de bastaard waarschijnlijk gedoemd.” Zo begint – in mijn eigen vertaling – het leven van Damon Fields, de hoofdpersoon van Demon Copperhead van Barbara Kingsolver. De roman is een wervelwindvertelling over leven in de marge van de Amerikaanse maatschappij.
Demon Copperhead speelt ook in de Appalachen, de bergen waar Vance’s en Kingsolvers wortels liggen. Damon Fields (bijgenaamd Demon Copperhead vanwege zijn koperkleurige haar) wordt voor een dubbeltje geboren uit een verslaafde moeder. De opiatencrisis, het gebrek aan economische kansen en het collectieve minderwaardigheidscomplex van de streek beschrijft Kingsolvers eveneens. Zij doet dat echter met een poëtisch plezier en met empathie die niet alleen ontbreekt in Vance’s vertelling, maar tegenwoordig zelfs verdacht is in conservatieve kringen.
Hier en daar dreigt Kingsolver in sentimentaliteit te verdrinken. „Het wonderlijke is dat je het leven met niets kunt beginnen, met niets kunt eindigen, en in de tussentijd toch zoveel kunt verliezen.” Maar door de gevatte, hilarische spreektaal slaat het boek over ellende én veerkracht nooit door in medelijden of als simplistische aanklacht. Als Kingsolver, via Demons zintuigelijke en soms sarcastische vertelstem, iets creëert is het begrip, voor zijn situatie en die van vele andere Amerikanen: mensen, kinderen, gemeenschappen die moeten zien te overleven in een verwoestend systeem van sociale ongelijkheid, uitbuiting, honger en verslaving.
Demon Copperhead is een meer dan dikke knipoog naar David Copperfield, de deels autobiografische bildungsroman die Charles Dickens in 1850 schreef. Personages uit Victoriaans Engeland zijn, met een kleine naamsverandering, hedendaags Amerika binnen gestrompeld en raken daar verstrikt in de door geld gedreven pleegzorg, verwaarloosde landbouw en industrie en door grote farmaceuten opgedrongen pijnstillers als Oxycodon.
Kingsolver heeft in interviews verteld dat ze de inspiratie voor Copperhead rechtstreeks van Dickens kreeg toen ze (op tournee voor Unsheltered, een boek dat ook een beetje over Trump ging) in Engeland in zijn oude huis sliep. Als Demon Dickens voor school moet lezen concludeert hij: „Een serieus oude vent, dood en een buitenlander, maar Christus wat begreep hij goed hoe kinderen en wezen hier verneukt worden zonder dat het iemand ene reet kan schelen. Je zou denken dat hij hier vandaan komt.”
Het sociale engagement van de schrijvers is vergelijkbaar. Kingsolver maakt de armoede en dopesick zijn tastbaar zonder van haar boek een pamflet te maken waarin overduidelijk schuldigen worden aangewezen. Bijna al haar personages zijn evengoed slachtoffer als dader, geen pure helden of schurken.
De wereld van vicepresident JD Vance is platter: wie niet meekomt in het huidige Amerika heeft dat grotendeels aan zichzelf te danken, schreef hij. Maar Kingsolver toont in haar roman, waarmee ze in 2023 de Pulitzer Prize voor fictie won, hoe zelfdestructie lang niet altijd een keuze is. Ondanks dat Vance zijn klim naar de macht sindsdien verder heeft voortgezet en de fentanyl-crisis door het iets afnemende aantal overdoses uit het nieuws is weggezakt, heeft Demon Copperhead niets aan relevantie, vertelkracht en menselijkheid verloren.
Ralph Waldo Emerson (1803-1882) was een Amerikaanse predikant, essayist, dichter en mysticus tegen wil en dank. In 1831 stierf zijn eerste vrouw, Ellen Tucker, het huwelijk had iets meer dan een jaar geduurd. In 1832 hield hij op met zijn werk als predikant, in 1842 stierf zijn vijfjarige zoon Waldo aan roodvonk. Hij beantwoordde deze dood met een beroemd geworden essay getiteld Ervaring (Experience), waarin hij onder andere schrijft: „Het enige wat rouw mij heeft geleerd is hoe oppervlakkig hij is.” En: „Door de dood van mijn zoon, nu meer dan twee jaar geleden, lijkt het alsof ik een prachtig bezit heb verloren — niet meer dan dat. Ik kan hem niet dichter bij me krijgen.”
Door rouw te behandelen als een economisch probleem is Emerson dichter bij rouw gekomen dan de sentimentalisten die zich op de rouw hebben geworpen als een roofvogel op zijn prooi.
De tweede helft van de twintigste eeuw en het begin van deze eeuw heeft ons de opkomst gebracht van handelaren in rouw en handelaren in moraal, handel in moraal is vaak handel in rouw en vice versa. Zij hebben zo vakkundig leren veinzen dat ze meer zijn dan handelaren, dat velen hen zijn gaan geloven. Emerson begreep dat rouw het ontbreken van handelswaar is, hij rouwde dat hij niet kon rouwen.
Ralph Waldo Emerson:Self-Reliance and Other Essays. Dover Thrift Editions, 128 blz. € 5,-
Emersons beroemdste essay is vermoedelijk Zelfredzaamheid (Self-Reliance) uit 1841. De criticus Harold Bloom schreef in 1984 over Emerson en dit essay in The New York Review of Books: ”Zelfredzaamheid, de Amerikaanse religie die hij [Emerson] heeft ontwikkeld, transformeerde eenzaamheid in standvastig verzet tegen de geschiedenis, inclusief de persoonlijke geschiedenis.” Bloom schreef ook dat Emerson misschien niet de grootste Amerikaanse schrijver aller tijden is, maar dat hij „de onontkoombare theoreticus is van vrijwel alle latere Amerikaanse literatuur. Vanaf zijn tijd tot de onze bevinden Amerikaanse auteurs zich óf in zijn traditie, óf in een contratraditie die uit verzet tegen hem is ontstaan.”
Zelfredzaamheid is een merkwaardige combinatie van Nietzscheaanse poëzie, advies aan de lezer (die natuurlijk de auteur zelf is), visioenen die uit het Nieuwe Testament lijken te komen en die zich toch keren tegen veel van wat Jezus de mens heeft willen leren, en een nuchterheid die zo nuchter is dat die weer een vorm van mystiek wordt. Zo keert de auteur zich tegen de naastenliefde door over de armen te schrijven: „Zijn zij mijn armen?” De dollar die aan de armen gegeven wordt noemt hij ‘kwaadaardig’. Anders gezegd: wie de armen van hun armoede wil beroven doet ook aan diefstal.
Ook meent hij dat ‘verre liefde’, liefde voor de mens an sich, weinig anders is dan rancune in het eigen huis.
Toch zou het van gemakzucht getuigen hem in te delen bij de rechtse denkers en politici, zijn weerzin jegens vrijwel alle vormen van gemeenschap zou links én rechts ongemakkelijk moeten maken. Zoiets had hij al voorzien want in Zelfredzaamheid noteert hij: „Groot zijn betekent verkeerd begrepen worden.”
Jezus waarschuwde ooit: „Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen.” Naar eigen zeggen was hij gekomen om ‘een wig te drijven’ tussen de mens en zijn ouders. De voormalige predikant Emerson meende dat als het genie je roept, je je vader, moeder, broer en zus uit de weg moet gaan. Hij kon het woord ‘genie’ nog noteren zonder welk ironisch voorbehoud dan ook. Niet de eeuwige vrede riep Emerson, maar het eigen genie. En het is misschien meer dan alleen ironisch dat hij niet verlaten heeft, maar verlaten is, eerst vanwege de dood van zijn vrouw, toen vanwege die van zijn zoon, om wie hij zo graag zo goed en zo lang had willen rouwen dat hij alleen maar kon concluderen dat hij het niet kon: rouwen. Overigens beweerde een tijdgenoot over Emerson dat hij „zo lief was als prikkeldraad.” Maar laten we indachtig de mysticus die Emerson ook was rekening houden met de mogelijkheid dat ook menselijk prikkeldraad lief kan zijn.
Wie Amerika wil begrijpen zonder Emerson zal altijd met lege handen staan. In het diepst van zijn hart is de Amerikaan een pionier die meent dat eenzaamheid een wapen is. Misschien gaat het land dat gelooft het optimisme te hebben uitgevonden ooit ten onder, maar daar zal niet de hoop noch de liefde het laatst sterven, in dat krankzinnige, grandioze, weerbarstige imperium zal de zelfredzaamheid als laatste sterven.
Als ik denk aan wat de Verenigde Staten voor mij betekenen, komen er vooral concrete plekken, geuren, beelden, muziek en herinneringen in mijn gedachten: Grand Teton National Park en de Badlands van South Dakota, mijn eerste dollar slice pizza in New York, meelopen in een parade in New Orleans, het zien van rode kardinaalvogeltjes in de sneeuw, hoezeer het me emotioneerde om het National Civil Rights Museum, gevestigd in het voormalige Lorraine Motel in Memphis waar Dr. Martin Luther King is vermoord, te bezoeken, mijn favoriete Bruce Springsteen lied (‘Atlantic City’), Wounded Knee en Pine Ridge Indian Reservation, waar het Amerikaanse leger in 1890 een bloedbad aanrichtte onder de Lakota’s.
Ook denk ik aan de rijke hoeveelheid talen die overal te horen zijn, de eerste keer dat ik de Stille Oceaan zag en aanraakte in Noord-Californië, aan eten bestellen in het Mandarijn met Chinese en Taiwanese vrienden in Flushing, Queens, aan mijn oud-docent uit New Orleans, waardoor ik Amerikanistiek ben gaan studeren, die Kouri-Vini (Louisiana Creole) spreekt, aan mijn Irish American vrienden uit Chicago die elk jaar video’s sturen van de groene rivier van mensen op St. Patrick’s Day en aan mijn beste vriendin die naast een Amish community woont in het midden van Wisconsin.
Craig Thompson: Ginseng Roots. Faber & Faber, 448 blz. € 19,90
Het loont om vanuit historisch perspectief in te zoomen op een specifiek object, plant, plek, dier of gevoel, om zo de vele verhalen op te delven die zich er binnenin bevinden en eromheen bewegen. Daarom is mijn leestip om de VS beter te kunnen begrijpen: Ginseng Roots van Craig Thompson. Ginseng Roots, aanvankelijk verschenen in 12 losse beeldverhalen tussen 2019 en 2024, leest deels als een autobiografische graphic novel en deels als een cultuurgeschiedenis van de Amerikaanse variant van de ginsengwortel. Het boek is een visuele manifestatie van de bredere ervaring van de Verenigde Staten en geeft een gelaagd inkijkje in een plek en periodes in de VS, waar in Nederland weinig aandacht voor is.
Door het centraal stellen van de ginsengwortel legt Thompson vele lagen van de VS bloot: opgroeien in een working class evangelisch christelijk gezin, de geschiedenis van de Hmong gemeenschap in de Verenigde Staten, die ondersteund door de CIA aan de kant van de Amerikanen hebben gevochten in de Vietnamoorlog, de ervaring van immigratie, Inheemse Amerikaanse geschiedenis en de handelsrelaties tussen de VS en China. Thompson maakt al deze verhalen, door middel van interviews, autobiografische elementen en intergenerationele narratieven, persoonlijk en toegankelijk.
De prachtige illustraties dragen hieraan bij, ze visualiseren niet alleen wat er letterlijk te zien is, maar weten ook op directe en subtiele wijze diepere lagen van gevoel en betekenis mee te geven. Ginseng Roots is een rijk voorbeeld van hoe weinig in de geschiedenis van de Verenigde Staten vanzelfsprekend is, hoe sinds 1492 externe krachten het land, de cultuur en de samenleving altijd zijn blijven kneden en vormgeven. Zoals de laatste ijstijd het landschap van Wisconsin zo heeft gevormd, dat het de perfecte geologische omstandigheden heeft gecreëerd voor ginseng.
De Haudenosaunee (Iroquios) noemden de wortel Garent-Oguen wat vertaald kan worden als „lijkend op mens.” Het boek volgt de rol van de plant in de geschiedenis van koloniaal geweld jegens de mens en natuur. Ginseng ontwikkelde zich in Wisconsin van wild en heilig voor de Haudenonsee, naar gecultiveerd en vereerd in het globale kapitalisme van de twintigste eeuw. Het verhaal van ginseng legt ook de ironie van het Amerikaanse debat over (illegale) migratie bloot; migratie die zich ontwikkelde van landroof door de vijftiende-eeuwse Franse kolonisten, de coureurs de bois, tot het racisme jegens de uitgebuite Hmong gemeenschap in de 21ste eeuw. Daarnaast biedt de focus op ginseng een nieuw perspectief op de continuïteit van de gemarginaliseerde positie van de witte arbeidersklasse in dit almaar ge(re-)construeerde land. Ginseng Roots laat zien dat wie de VS wil begrijpen op zoek moet gaan naar het niet-menselijke leven én de verscheidenheid aan mensen van het land, van tienduizenden jaren geleden tot nu.
Wanneer me gevraagd wordt wat hét boek is om Amerika te begrijpen, dan zal ik eerst en altijd F. Scott Fitzgeralds The Great Gatsby (1925) noemen, een vlijmscherp afschminken van de Amerikaanse Droom zoals die alleen geschreven had kunnen worden door een teleurgestelde dromer. Maar denk ik er wat langer over na, dan dringt zich een modernistische tijdgenoot van Fitzgerald op die in de mist van de literaire geschiedenis is verdwenen: John Dos Passos. Diens U.S.A-trilogie, bestaande uit The 42nd Parallel (1930), 1919 (1932) enThe Big Money (1936), is een twaalfhonderd pagina’s tellende poging een kwart eeuw geschiedenis te vangen, van de dageraad van wat de Amerikaanse eeuw zou moeten worden, tot de beurskrach van 1929.
John Dos Passos. U.S.A. The Complete U.S.A. Trilogy. Collins, 1184 blz. € 25,99
Wat is de USA? „USA is een plak van een continent”, schrijft Dos Passos. „USA is een groep holdings, wat opeenhopingen van vakbonden, in kalfsleer gebonden wetten, een radionetwerk, een bioscoopketen, een kolom met aandelenkoersen, door de Western Union-jongen genoteerd op een schoolbord en weer uitgegumd, een openbare bibliotheek vol oude kranten en geschiedenisboeken met ezelsoren en in de marges gekrabbelde protesten. USA is ’s werelds grootste riviervallei, omzoomd door bergen en heuvels, USA is een club luidruchtige officials met te veel bankrekeningen. USA is een heleboel mannen die in uniform begraven zijn op begraafplaats Arlington.”
Het is een experimenteel werk met vier vertelvormen. Verhalende stukken rond zes mannen en zes vrouwen, van activisten tot social climbers en een gladde pr-man. Het ‘cameraoog’, autobiografische stream-of-consciousness. Er zijn ‘Newsreels’, door elkaar geknipte fragmenten van artikelen, liedjes, nieuwskoppen, en zelfs De Internationale. En biografische schetsen van aanzienlijke mensen. Dos Passos komt uit de tijd van radio en bioscoopnieuws, maar het gefragmenteerde van het boek lijkt een voorbode op zappen en zelfs op scrollen.
Hoe groot Dos Passos’ greep ook is, twee thema’s staan centraal in de trilogie: het conflict tussen arbeid en kapitaal, en de opkomst van public relations en reclame als dominante krachten in – met de Amerikaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog – een expansionistische oorlogsdemocratie. Die daardoor tot schijndemocratie dreigt te verworden. Dat eerste thema is later vaak weggezet als op zijn best passé en op zijn slechtst socialistisch. Dat vond Dos Passos zelf ook, aangezien hij, gedesillusioneerd door links, op latere leeftijd een stevige afslag naar rechts-conservatisme nam.
Nu zijn Dos Passos’ thema’s back with a vengeance. Logisch; het werk is een reactie op de uitwassen van het roofkapitalisme van de late negentiende en de vroege twintigste eeuw, ongebreideld kapitalisme dat obsceen rijke en politiek machtige figuren voortbracht als staalmagnaat Andrew Carnegie en oliebaron John D. Rockefeller. Die laatste werd in 1916 ’s werelds eerste miljardair – zoals Elon Musk ’s werelds eerste biljonair is – een fortuin dat het equivalent was van 2 procent van de totale Amerikaanse economie. De jaren na de Eerste Wereldoorlog zouden een periode van groei en decadente jazzfeesten zijn, maar ook van rassenrellen en een linkse tegenbeweging. De Grote Depressie en een nieuwe wereldoorlog lagen al in hinderlaag.
„Oké, we zijn dus twee naties0”, zo stelt Dos Passos in slotstuk The Big Money vast, schrijvend over de executie van Nicola Sacco en Bartolomeo Vanzetti, Italiaanse immigranten en anarchisten die twee moorden in de schoenen zijn geschoven. In typisch modernistische stijl noteert hij: ‘Ze hebben ons van de straten geknuppeld ze zijn sterker ze zijn rijk ze contracteren en ontslaan de politici de krantenredacteuren de rechters de kleingeestige mannen met reputatie de universiteitsvoorzitters de partijbonzen (luister zakenlui universiteitsvoorzitters rechters Amerika zal haar verraders niet vergeten) ze contracteren mannen met wapens de uniformen de politiewagens de patrouillewagens oké je hebt gewonnen hedenavond zul je de brave mensen onze vrienden vermoorden.’
Natuurlijk, de geschiedenis herhaalt zich niet, ze rijmt. Toch hou ik me vast aan het mantra in de gedachten van Mac, een van Dos Passos’ hoofdpersonages: „Het is tijd dat alle eerlijke mensen samenkomen om verzet te plegen tegen de ravage die is aangericht door hebzuchtig privilege.” Inderdaad, het is tijd.
Doodziek word je van het dwepen met cowboys en cowboying in de tv- serie Yellowstone, een kijkcijferkanon in de VS (2014-2018). Er kan geen zin worden uitgesproken in het atavistische epos of het C-woord rolt de personages botergeil van de lippen. De mannen – en vrouwen – van het C-woord zijn ruig, onafhankelijk, stoer, hebben stemmen als kiezels, blote knokkels en geven verraders een nachtelijke kogel door de kop. Dát is leven, dát is vrijheid, dát is.. cowboying, in de reactionair-mythische wereld van schrijver Taylor Sheridan en ster Kevin Costner.
Die arme koeienjongen – voor de zoveelste keer misbruikt voor leugens en propaganda. Dat roken van Marlboro-sigaretten je machismo een opkontje kan geven. Dat het bewaken van de landsgrenzen en uitzetten van illegale migranten het beste gaat te paard. Dat je als minister van nationale veiligheid kan wegkomen met wanbeleid en een Rolex van 50.000 dollar om je pols, als je er maar een Stetson bij opzet.
Larry Mcmurtry: Lonesome Dove. A Novel. Simon & Schuster, 858 blz. € 16,-
De cowboy is hét nationale symbool van Amerika, wereldwijd bekend en steevast in een genocidale unie met „indianen”. Dat hadden de jongens – er waren cowgirls, maar niet veel – destijds zelf niet verwacht. Cowboys (of, zoals ze zichzelf liever aanduidden, cowpunchers, waddies of cowhands) waren niet eens een Amerikaanse uitvinding. Ze waren de opvolgers van Spaanse vaqueros, met Britse invloeden. Zelfs de invloed van Texas, geboortegrond van de cattle drives, op de Amerikaanse veehouderij is sterk overdreven. Het aandeel van andere streken, het Oosten en Midwesten, was volgens historici groter.
En helden? In hun historische hoogtijdagen, zo tussen 1865 en 1885, golden cowboys als een lage tree op de sociale ladder, ergens tussen zwarte dagloners op het platteland en witte fabrieksarbeiders. Niet voor niets was de cowboywereld een van de wat meer diverse in het toenmalige Amerika: er waren zwarte, latino en inheemse cowboys (al is hun aantal moeilijk te bepalen, door gebrek aan bronnen, en zijn schattingen zoals een op de drie weinig meer dan aannames). En net als fabrieksarbeiders gingen ook cowboys in staking – in Texas in 1883, een krachtmeting met ranchers die ze verloren.
Hoe kon deze figuur, een slecht betaalde loonslaaf die dagenlang stof liep te happen achter een voort sjokkende kudde koeien, uitgroeien tot een nationaal symbool? Dat is omdat de elite van het verstedelijkte Amerika, eind negentiende eeuw bezorgd om massa-immigratie uit katholiek Zuid-Europa en Ierland, een held nodig had. Eentje die de idealen van individualisme, vrijheid en verovering van de natuur belichaamde, goedschiks of kwaadschiks. Wie beter dan een cowboy met een Colt uit het ruige Westen? Ziedaar Buffalo Bill, met zijn Wild West Circus. En daar steeg The Virginian (1902) te paard, de eerste bestseller met een eenzame revolverheld in de hoofdrol. Auteur Owen Wister was een kind van de WASP-elite aan de Oostkust en vriend van de latere president Theodore Roosevelt. Beide stadsmannen hadden hun viriliteit herontdekt, of aangeboord, op reis in het Westen.
Lonesome Dove (1985), de epische western van Larry McMurtry die een ongehoorde bestseller én tv-serie werd, staat in die traditie, zij het halfhartig. Ook die vuistdikke roman over een drijftocht van twee Texas Rangers op leeftijd naar Montana gaf weer een impuls aan de mythe van cowboying, inmiddels gekoesterd door steenrijke Amerikanen met een hang naar glamping in Wyoming of Montana, zoals CNN-baas Ted Turner (of Kevin Coster). Ironisch, want met dat soms langdradige, onsentimentele boek had McMurtry, een illusieloze kenner van de historie, de mythe juist willen ontzenuwen.
Daar doet hij alle moeite voor. Lonesome Dove begint met een varken, niet met een koe, en het boek wordt daarna bevolkt door reumatische oude cowboys, sadistische criminelen, hoeren (met een gouden hart, dat dan weer wel) en mislukte liefdes. Bijna iedereen gaat dood of breekt een been. Zo hoopte McMurtry de Amerikaanse mythe binnenstebuiten te keren en licht te werpen op hoe het Westen werkelijk was geweest. Dat maakt het boek uitzonderlijk: een mythe die zichzelf wil opeten.
Verspilde moeite – de mythe bloeit als nooit tevoren, aangejaagd door het nativisme van Trump en de propaganda van Amerika as een natie die is gebouwd door ruige individualisten. Oók ironisch, want als één deel van die natie is gebouwd met federale wetgeving en geld (vestiging op land, landbouw, snelwegen, spoorlijnen, stuwmeren, ziekenhuizen, elektriciteitsnetwerken) is het wel het zogenaamd ‘individualistische’ Westen.
Aan cowboys – de echte – was die ironie wel besteed geweest. Zij wisten maar al te goed dat je in je eentje niet ver komt, zeker niet met een kudde loeiende koeien. Maar ja. Zoals een journalist zegt in The Man Who Shot Liberty Valance (1962), na de fatale shoot-out in de hoofdstraat: ,,Als de mythe werkelijkheid wordt, print the legend.”
Een waar Amerikaans woord.
In 1943 schreef Carlos Bulosan – vakbondsactivist en een schrijver die steeds meer bekendheid genoot – voor het tijdschrift The Saturday Evening Post een artikel over een van Franklin Roosevelt’s vrijheden, die van ‘vrijwaring van gebrek’.
Wat de meeste Amerikanen zich van dat nummer herinneren, is de beroemde illustratie van Norman Rockwell: een oma die een enorme kalkoen opdient tijdens een vrolijke familiebijeenkomst. Bulosans bijbehorende essay had een heel andere toon: ernstig en fel, maar toch ook hoopvol. Pas wanneer men over voldoende voedsel beschikt, zo stelde Bulosan, begint men te begrijpen wat vrijheid betekent. Pas dan neemt men werkelijk deel aan de democratie. Velen in Amerika, schreef hij, waren verstoken gebleven van die Amerikaanse welvaart, maar gezamenlijk ‘marcheerden’ zij om hun rechtmatige deel op te eisen.
Carlos Bulosan: America Is in the Heart. Penquin Classics, 384 blz. € 13,-
Enkele jaren later, in 1946, verscheen Bulosans America Is in the Heart. Het is een vaak hartverscheurend verhaal vol pijn, waarin de levensloop van de auteur – deels gefictionaliseerd – wordt beschreven. De roman begint bij zijn geboorte in een boerengezin op Luzon, het grootste eiland van de Filipijnen, en volgt de geleidelijke verarming van zijn toch al arme familie, waardoor drie zonen, onder wie Carlos, gedwongen werden elders een beter leven te zoeken: in de Verenigde Staten. Bij zijn aankomst in 1930, aan het begin van de economische crisis, kreeg Bulosan net zoals andere Filipino’s niet alleen te maken met concurrentie om handarbeid, maar ook met systematische uitbuiting, discriminatie en geweld vanuit een witte Amerikaanse samenleving die hen doorgaans als minderwaardig beschouwde.
De pijn en woede over die behandeling, in combinatie met de ervaringen van de hoofdpersoon met dakloosheid, honger, onderdrukking en werkloosheid, verlenen dit semi-biografische werk een krachtig pathos. Dat pathos schuilt minder in de directe gevallen van onrecht die door de witte Amerikaanse samenleving werden aangericht en meer in de zelfverwoesting van de Filipijnse immigranten zelf, die zich verloren in verslaving, misbruik en geweld.
Het ene drama volgt op het andere, al worden ze verzacht door momenten van onverwachte vriendschap en tederheid. Er ontstaat nieuwe hoop in het verhaal wanneer de auteur leert schrijven en wanneer arbeiders – zowel Filipino’s als niet-Filipino’s – worden geschoold en gemobiliseerd; ze zijn niet langer louter onderworpen individuen, maar voelen een onderlinge solidariteit. Gebruikelijke voer voor een door het marxisme beïnvloed schrijver als Bulosan, maar in dit narratief is het eerder een uiting van hoop op de belofte van Amerika dan een oproep tot een klassenrevolutie.
America Is in the Heart vertelt iets wezenlijks over de ervaring van immigranten in de Verenigde Staten. Het is geen verhaal over de geroemde weg van ‘rags to riches’, maar een dat zich beweegt van uitsluiting naar een vorm van erkenning. Dat is – en blijft – een van de centrale verhalen van de Amerikaanse geschiedenis: mensen van over de hele wereld die enorme ontberingen doorstaan in een samenleving die maar al te blij is met hun arbeid, maar wantrouwend staat tegenover hun aanwezigheid. Het is ook een verhaal van vooruitgang – zoals Bulosan zelf ook ging geloven – maar wel een dat gepaard gaat met pijn en doorzettingsvermogen.
Bulosans autobiografische roman is ook een bespiegeling over de American Dream. De term werd in de jaren dertig gemunt en werd destijds opgevat als meer dan slechts het bezit van materiële zaken, het ging om het gevoel erkend te worden en recht te hebben op een plaats aan de feestdis. Bulosans blijvende, ‘platonische’ geloof in een ideaal Amerika die dat zou verwezenlijken is weliswaar als naïef bestempeld, maar het vormde een krachtige drijfveer voor sociale rechtvaardigheid in het Amerika van het midden van de twintigste eeuw.
Tegenwoordig zeggen steeds meer Amerikanen – die in een veel rijkere samenleving leven dan Bulosan kende – dat ze het gevoel hebben dat de Amerikaanse Dream hen door de vingers glipt. Ironisch genoeg lijken we nu verder van die droom te staan dan Bulosan zelf. Misschien is het dan tijd om door dit boek opnieuw te beseffen dat Amerika vooral in het hart ligt.
„Ik ben blij dat ik niet meer in de gevangenis zit. God heeft mij erdoorheen gesleept”, vertrouwt Jan 6-geweldpleger Robert Morss Maral Noshad Sharifi, correspondent in de Verenigde Staten voor de Volkskrant, toe. Hij doelt op de gratie die Trump Capitoolbestormers verleende, zodra hij president werd.
In haar nieuwe boek Maral in Magaland leest bijna elk verhaal als een spannende thriller. Ze spreekt de extreemrechtse Capitoolbestormer Morss op een willekeurige avond in een houten chalet in Butler, Pennsylvania. Nadat ze eerder de Conservative Political Action Conference (CPAC) bijwoonde, een MAGA-hoofdkwartier, waar het wemelt van de rode petjes, vrouwen-, migranten- en journalistenhaters en er ongegeneerd een nazigroet op het podium wordt uitgebracht door Steve Bannon, de wit-nationalistische voormalige rechterhand van Trump.
Maral Noshad Sharifi: Maral in Magaland. Prometheus, 336 blz. € 24,99
Het zou zomaar een blockbuster van Christopher Nolan kunnen zijn of een sketch van het satirische duo Key and Peele, maar dit is de realiteit in de Verenigde Staten anno 2026. Huiveringwekkend en hallucinant. Sharifi neemt ons in Maral in Magaland mee door Amerika, met een scherpe pen, een flinke dosis humor en het vermogen om als ‘Dutch, Deutsch of Danish?’ journalist iedereen aan de praat te krijgen, door oordeelloos te luisteren.
We nemen in vogelvlucht de afgelopen jaren van het rijkste en meest corrupte Witte Huis in de geschiedenis door; Trump, rechts-extremisme, neergeschoten Amerikaanse burgers door ICE, zoals Renee Good, Alex Pretti en Keith Porter, protesten, abortusverbod, Black Lives Matter, klimaatontkenning, Kamala Harris, Zohran Mamdani, Israël en Iran. We ontmoeten niet enkel de extremisten, maar ook degenen die de dupe zijn van hun extremisme (alhoewel je zou kunnen stellen dat velen dat zelf ook zijn): de Salvadoraanse vader Kilmar Abrego Garcia die onterecht werd uitgezet en in een beruchte terreurgevangenis belandde, een Mexicaanse restauranteigenaresse die angstig om zich heen kijkt tijdens een interview ondanks dat ze Amerikaans staatsburger is, een verlegen, wit, vijftienjarig trans meisje dat niet begrijpt waarom het voor een ander ‘vervelend is als zij zichzelf is’.
Bij wijlen betreden we een historisch spoor, broodnodig in de overvloed aan nieuws in het boek. We leren meer over de geschiedenis van onderdrukking, migratie en verzet. Dat biedt context bij de uitholling van de democratie. Sharifi schroomt niet de verbinding te leggen met normalisering van extreemrechts in Nederland en Europa, met Amerika als red flag voor dit continent. De overdaad aan informatie en gebeurtenissen zou overweldigend kunnen zijn, als we er niet dagelijks mee geconfronteerd werden.
Ik heb veelal door afstandelijke ogen van witte mannelijke correspondenten over mijn geboorteland moeten lezen. Het perspectief van Sharifi schept nabijheid, zonder in te boeten aan journalistieke kunde. Ze schrijft alsof er iets op het spel staat, omdat dat ook zo is. Doen alsof het nieuws ons niet deert, is pretenderen de ‘plotse’ hittegolf in een gematigd zeeklimaat te kunnen negeren.
Sharifi vluchtte op haar vierde met haar familie uit Iran naar Nederland vanwege de religieuze autocratie. Ruim een kwart eeuw later doet ze verslag van een andersoortige demagoog in chief. Wanneer Trump Iran bombardeert en daarmee ook haar naasten in gevaar brengt, wordt het nieuws nog persoonlijker. Dus doet ze het enige wat een bekwame journalist kan: duiden.
Bij alle realiteitszin klinkt ook de liefde voor New York en Amerika door. Zo ook in de rest van het land; bij de anti-ICE protesten in Minneapolis, een latinoscholier in North Carolina die beschermd wordt door klasgenoten, de winst van New Yorkse burgemeester Mamdani als overwinning van de arbeidersklasse en aanklacht tegen de rovende bovenklasse, het historische Superbowl-optreden van megaster Bad Bunny die verbinding predikte, de vanzelfsprekende Caribische, Indiase en Iraanse kruiden in het appartementje dat Sharifi met oud-huisgenoten deelde.
Het lijkt wellicht contra-intuïtief om een boek geschreven door een Nederlands-Iraanse import-Amerikaan aan te bevelen om Amerika beter te leren begrijpen. Maar als je de Verenigde Staten daadwerkelijk kent, is er niets kloppender dan dat.