Home

Een rondleiding in de fabriek van Aston Martin: ‘Zonder data snap je niets van wat er gebeurt’

Formule 1 Aan de hand van honderden sensoren, duizenden gigabytes aan informatie en miljarden simulaties bouwen F1-teams hun auto’s en bepalen ze de racestrategie. „We maken een digitale tweelingbroer van de auto.”

De Canadees Lance Stroll van Aston Marton op het circuit van Bahrain.

De parkeerplaats van Aston Martin strekt zich uit zover het oog reikt. Honderden auto’s staan er al. En dan is het nog niet eens 9.00 uur. Je zou denken dat het merk hier zijn auto’s voor de openbare weg produceert, of misschien de dure sportwagens die voor het circuit bedoeld zijn. Maar in de fabriek naast het parkeerterrein, een 350 meter lang complex in de groene weilanden van het Britse Northamptonshire, worden slechts twee voertuigen per jaar gebouwd: de auto’s van het Aston Martin-Formule 1-team.

De twee sléchtste F1-wagens van het veld – het moet meteen gezegd. De AMR26, zoals het model voor dit jaar heet, is vanwege een keur aan problemen chronisch onbetrouwbaar en tergend langzaam. Aan het begin van het jaar trilde de Honda-motor de hele auto kapot, maar nu dat probleem is opgelost blijkt hij ook heel weinig vermogen te leveren. En ook aan het ontwerp van de auto en de versnellingsbak die Aston Martin dit jaar voor het eerst zelf bouwt, mankeert een hoop. Door een hoop mazzel bij de chaotische race in Monaco scoorde het team tot nu toe één punt.

Als je rondloopt in de Aston Martin-fabriek, zie je dat de wanprestaties niet aan de faciliteiten liggen. In de kantoor- en fabricageruimtes aan de smetteloos glimmende gangen in het eind 2024 opgeleverde gebouw, is plek voor 1.100 medewerkers. Overal staat de nieuwste en beste apparatuur.

NRC mag er onder begeleiding rondkijken. Niet overal: gevoelige ruimtes zoals de windtunnel zijn verboden terrein. Telefooncamera’s moeten worden afgeplakt. Onderwerp van het bezoek is de rol van big data in de Formule 1. Want ook al is het stuwmeer aan computerdata dat alle F1-teams tegenwoordig verzamelen onzichtbaar; voor de sport is het absoluut onmisbaar.

Zonder data kun je de auto’s het circuit op sturen, maar daarmee is zo’n beetje alles wel gezegd, vertelt IT-deskundige Eric Ernst in een zaaltje op de eerste verdieping van de direct naast het circuit van Silverstone gelegen fabriek. „Je kunt rondjes rijden en naar de tijden kijken. Maar je snapt zonder data niets van wat er gebeurt”, zegt Ernst. De Zwitser heeft jaren in sporten gewerkt waarbij computertechnologie een grote rol speelt, zoals wedstrijdzeilen en de elektrische raceklasse Formule E. Nu werkt hij bij Aston Martin in een PR-rol.

Stopwatches en rondetabellen

Op de Aston Martins zitten meer dan driehonderd sensoren, die duizend keer per seconde informatie naar de pits sturen. Van rijhoogte tot stuuruitslag, van remtemperatuur tot de downforce die de vleugels opwekken: elk raceweekend levert dat zo’n 1,5 terabyte aan data per auto op – een hoeveelheid gegevens waarmee je in een tekstverwerker 120 miljard pagina’s zou kunnen vullen.

En dan is er nog de informatie die uit windtunneltests komt, plus de data van aerodynamische computerberekeningen en de peperdure F1-simulatoren waarover alle teams tegenwoordig beschikken. Nogal een verschil met een halve eeuw geleden, toen met stopwatches getimede ronden en met de hand ingevulde rondetabellen zo’n beetje de enige bronnen van data waren in een op intuïtie en ambacht drijvende sport.

Ernst maakt een vergelijking met de America’s Cup, de Formule 1 van het zeilen. Hij werkte ooit voor een Zweeds team, waar de kapitein de kiel van het schip wilde vervangen, zonder dat hij precies kon beargumenteren waarom. Na een hele nacht doorwerken om een andere kiel te monteren, kon het schip de volgende dag weer varen. „Vervolgens zei de kapitein: ‘ik denk dat die andere toch beter was. Zet maar weer terug.’ Een gebrek aan data leverde dus een enorme hoeveelheid overbodig werk op.”

Voor zulke inefficiëntie is in de Formule 1 al lang geen plek meer. Computerdata zijn de basis van alles wat de teams doen – en alles wat ze doen, belandt ook weer in databases. Daarmee kunnen teams op zoek gaan naar de zwakke plekken van hun wagens.

In een uitgestrekte, minimalistisch ingerichte kantoortuin in het Aston Martin-gebouw staren mannen in groene teamkleding naar computerschermen. Iemand sleept met zijn muis een 3D-model van een deel van de F1-wagen van het Britse team over een monitor.

Het is de ontwerpzaal, waar zo’n 250 mensen elke dag het ontwerp van de auto bijschaven. Dankzij de verbeterde technologie kunnen ze steeds meer ideeën uitwerken. Niet alleen omdat Aston Martin in zijn nieuwe fabriek geavanceerde 3D-printers heeft staan die in een handomdraai schaalmodellen voor de windtunnel kunnen produceren – vroeger moesten die nog met de hand uit hout en klein worden vervaardigd. Maar ook omdat kunstmatige intelligentie het ontwerpproces versnelt.

„De technici zetten nog steeds duidelijk de lijnen uit”, zegt Ernst. Maar met AI kunnen ze gaandeweg analyseren of de richting die ze zijn ingeslagen met een bepaald ontwerp kansrijk is. „Stel: zo’n proces heeft vijftig stappen, en [met AI] vind je een manier om stap veertig sneller te laten verlopen. Dan heb je een voordeel. Want snelheid is alles.”

Uiteindelijk gaat het erom dat teams met alle data een soort „digitale tweelingbroer” van hun auto creëren, zegt Ernst. Waarbij het wél van belang is dat die kopie ook daadwerkelijk overeenkomt met de realiteit; in F1-jargon gaat het dan over ‘correlatie’.

Een flink deel van het data-werk is gericht op die correlatie. Je ziet dat vooral tijdens testsessies en vrije trainingen, wanneer auto’s soms uitgerust worden met een zogeheten aero rake, een ingewikkelde metalen constructie vol luchtdrukmeters die wel iets weg heeft van een uit de kluiten gewassen hark. Zo kunnen teams de luchtstromen rondom de auto meten en controleren of die gegevens stroken met wat uit de computersimulaties is gekomen – en die simulaties verbeteren als dat niet het geval is.

AI en andere slimme software helpen de teams ook om überhaupt iets te kunnen met alle verzamelde data, die door geen mens meer te overzien is. „Als het ergens op een server in een mapje staat, hebben we er niets aan”, zegt Ernst. Daarom werken ze tegenwoordig allemaal samen met (veelal Amerikaanse) techbedrijven, die de complete digitale infrastructuur verzorgen. Bij Aston Martin is dat bijvoorbeeld NetApp; Ferrari doet zaken met Amazon, Red Bull met Oracle en Mercedes met CrowdStrike.  

Technici sleutelen aan de auto van Lance Stroll.

Miljarden simulaties

Niet alleen in de ontwerpfase komen alle digitale gegevens goed van pas. In de Aston Martin-fabriek is een hele ruimte gewijd aan een andere tak van dataverwerking. Het is een zaal met drie lange rijen bureaus, allemaal gericht op een wand met manshoge videoschermen. In deze ‘controlekamer’, zoals het team hem zelf noemt, werken tijdens races veertig mensen die in rechtstreekse verbinding staan met het circuit. Continu stroomt er data binnen, met hoogstens 0,3 seconde vertraging, zelfs wanneer de race aan de andere kant van de wereld is.

Op basis van die gegevens draaien de mensen in de controlekamer simulaties van de race af – vooraf, én terwijl deze bezig is. Alle denkbare variabelen nemen ze mee. Bandenslijtage, de hoeveelheid brandstof aan boord, hoe makkelijk of moeilijk inhalen is op het circuit in kwestie, of de concurrentie sneller of juist langzamer is dan verwacht, de kans op een safetycar. Elk raceweekend worden er op die manier miljarden simulaties uitgevoerd, met als doel het meest waarschijnlijke raceverloop te voorspellen. Dat helpt bij cruciale beslissingen tijdens een race: gaan we nú de pits in voor nieuwe banden, of wachten we nog een paar ronden?

Maar ontelbare simulaties en een geavanceerde ict-afdeling zijn geen garantie voor goede prestaties. Aston Martin is daar zelf het beste voorbeeld van. Het heeft de nieuwste, meest geavanceerde fabriek en technisch genie Adrian Newey stuurt het team aan – en toch bleek de AMR26 al vanaf de eerste testronde een ontzettend beroerde auto. Kon het team dan niet al in een vroeg stadium aan alle data zien dat er iets mis was? Ernst houdt zich diplomatiek op de vlakte. „Ik weet het niet. Zo diep ben ik niet betrokken bij het ontwerp van de auto.”

Er blijft in de Formule 1 altijd een element dat niet door data kan worden gevangen: de mensen. Zij staan centraal, en dat zal voorlopig nog wel zo blijven. Hún talent en hún onderlinge samenwerking is doorslaggevend. Met enkel een sloot aan data en wat AI-abonnementen ga je er niet komen, zegt Ernst. „Ervaring kun je niet uitbesteden.”

Formule 1

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next