Libanese hulpverleners
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Opnieuw begaat Israël op grote schaal oorlogsmisdaden. Uit onderzoek van NRC blijkt dat er alleen al tussen 2 maart en 2 juni in Libanon 28 hulpverleners werden gedood tijdens zogenaamde double-taps: een controversiële militaire tactiek waarbij kort op een eerste aanval een tweede, nieuwe aanval wordt gedaan om toegesnelde omstanders, inclusief ambulancepersoneel en journalisten, eveneens te kunnen treffen. Behalve de vele doden raakten meer dan dertig hulpverleners in die periode gewond bij zulke aanvallen.
De Israëlische rechtvaardiging – Hezbollah is nog actief in Libanon – is onhoudbaar. Volgens het humanitair oorlogsrecht verdienen mensen die niet deelnemen aan de strijd, maar bijvoorbeeld hulp verlenen of verslag doen, bescherming. Dat ze Hezbollah al dan niet een warm hart toedragen doet niet ter zake. Alleen militaire doelen mogen worden aangevallen. In een reactie aan NRC liet het Israëlische leger weten dat het zich in Libanon tot zulke doelen beperkt, maar dit strookt totaal niet met de (audiovisuele) feiten of met wat talloze ooggetuigen en experts vertellen over het patroon van meervoudige aanvallen.
Ook de track record van het Israëlische leger vertelt een ander verhaal. In Gaza blijken de levens van burgers tot op heden weinig waard. Net als op de bezette Westelijke Jordaanoever: in een maandag verschenen rapport concludeert de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem dat de strijdkrachten daar in 2025 zeker 54 Palestijnse kinderen hebben gedood. In Libanon zijn sinds begin maart door vaak disproportioneel Israëlisch geweld al vierduizend doden gevallen.
Israël weet zelf ook heel goed dat het juridische grenzen overschrijdt. In het ‘raamwerkakkoord’ dat vrijdag met Libanon werd gesloten, staat niet voor niets een opvallende passage over oorlogsmisdaden. In de een-na-laatste clausule staat een afspraak tussen de betrokken partijen over „het staken van alle vijandige of nadelige acties in internationale politieke of juridische fora”. In andere woorden: de Libanese autoriteiten moeten van de Israëlische oorlogsmisdaden geen werk proberen te maken bij internationale gerechtshoven of in VN-verband.
Dat Israël zich met zo’n passage juridisch probeert in te dekken, is veelzeggend. Kennelijk is de regering van premier Netanyahu tot de conclusie gekomen dat dit nodig is. Dat het internationaal recht in Israël nog wordt gevreesd, betekent ook dat het nog niet verloren is. En dat is op zichzelf goed nieuws. Of zoals de Oostenrijkse jurist Volker Türk, de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten voor de Verenigde Naties, het recent zei in een interview over hoe mensenrechten wereldwijd onder druk staan: „Als het niemand iets kon schelen, dan hadden we pas een probleem.” Tegelijkertijd is het wel zaak dat Israëls bondgenoten het land ter verantwoording blijven roepen, Nederland voorop als zelfverklaard hoeder van het internationaal recht en gastheer van VN-hoven. Van alle EU-landen is Nederland bovendien de grootste investeerder in Israël. Het zou flinke druk kunnen uitoefenen, en in ieder geval veel meer dan het nu doet.
Waarnemers vrezen dat het raamwerkakkoord, waarin de Libanese regering ook nog een trits andere concessies doet, de onrust en verdeeldheid in het land alleen maar zal aanwakkeren, en daarmee een tegengesteld effect zal hebben. Temeer ook omdat Israël zelf weinig aanstalten lijkt te maken om de illegale bezetting van Zuid-Libanon wezenlijk terug te draaien, en ook nu nog aanvallen uitvoert. Dat Libanon zwak staat tegenover Israël, en meent dat het in moet stemmen met onredelijke eisen, is voor Nederland en Europa reden te meer om stevig in te zetten op internationaal onderzoek naar oorlogsmisdaden en andere mensenrechtenschendingen. Ten aanzien van Rusland wordt dit – terecht – wel gedaan, maar Israël komt met vrijwel alles weg. Voor de internationale rechtsorde is dat fnuikend.