Ted Brandsen | scheidend creatief directeur Het Nationale Ballet Ted Brandsen neemt afscheid als creatief directeur van Het Nationale Ballet. Onder zijn 23-jarige leiderschap kwam het gezelschap tot grote bloei. De dansers floreren, de zalen zitten vol. Donderdagavond doet de groep hem uitgeleide met een groot gala.
Ted Brandsen: „Er worden veel verwachtingen op een artistiek directeur geprojecteerd die je nooit voor iedereen kunt waarmaken. Dansers, staf, pers, publiek. Het is een constant managen van verwachtingen.”
Op een korte onderbreking na van vier jaar heeft het leven van Ted Brandsen (Kortenhoef, 1959) zich de afgelopen 40 jaar afgespeeld op een vierkante kilometer rond Nationale Opera & Ballet, in de volksmond nog altijd de Stopera. Dagelijks was hij aanwezig, eerst als danser, later als artistiek directeur van Het Nationale Ballet. Met een agenda vol vergaderingen, lessen, repetities en voorstellingen. Honderden gesprekken voerde hij met choreografen en dansers, over hun wensen en ambities.
Na donderdag 2 juli laat hij het achter zich: het dwingende schema, de mensen, de verplichtingen. Maar ook: de dagelijkse onderdompeling in schoonheid. Na 23 jaar neemt hij afscheid als ‘baas’ van het grootste dansgezelschap van Nederland. Niet omdat hij wil – een paar jaar geleden nog maar zei hij dat hij ‘eruit geknuppeld’ zou moeten worden. De wet schrijft echter voor dat hij als werknemer van een rijksgesubsidieerde instelling op 67-jarige leeftijd met pensioen moet. „Dat voelde alsof ik werd weggestuurd. Ik had het me niet gerealiseerd en moest heel erg aan de gedachte wennen.”
Zijn reactie is, grappig genoeg, vergelijkbaar met die van dansers als zij te horen krijgen dat het na hun 38ste schluss is. Bij Het Nationale Ballet stond Brandsens handtekening onder die gevreesde brief. Hij was de man die ze heeft aangenomen, zien ontwikkelen of stagneren en uiteindelijk vertrekken, al dan niet uit vrije wil.
Van dat laatste neemt hij gráág afscheid. „Geen mensen meer ontslaan, geen moeilijke gesprekken meer. Geen ‘nee’ meer hoeven verkopen als dansers toestemming voor gastoptredens in het buitenland vragen – onze solisten zijn erg in trek. Geen ergernissen over de pers. Er worden veel verwachtingen op een artistiek directeur geprojecteerd die je nooit voor iedereen kunt waarmaken. Dansers, staf, pers, publiek. Dat is best veel. Het is een constant managen van verwachtingen.”
Door de bank genomen is dat hem goed afgegaan. „Wat mij betreft is Ted de beste artistiek directeur die Het Nationale Ballet ooit heeft gehad”, oordeelde Hans van Manen eens. Hij had Brandsens voorgangers (Sonia Gaskell, Rudi van Dantzig, Wayne Eagling) allemaal gekend. Brandsen is dan ook een diplomaat. Positief ingesteld en open voor gesprek, hoewel hij zelden het achterste van zijn tong laat zien. Een fervent netwerker ook, binnen Amsterdam en daarbuiten. Zo richtte hij in 2017 Positioning Ballet op, een internationaal overleg- en discussieplatform voor balletdirecteuren.
Ooit begonnen als danser bij Het Nationale Ballet (1981-1991) gaf hij, destijds beginnend choreograaf, tussen 1998 en 2002 als artistiek directeur een flinke boost aan het West Australian Ballet in Perth, waarna het bestuur van Het Nationale Ballet hem aantrok als opvolger van de extern en intern zwaar bekritiseerde Eagling. Brandsen kende de geschiedenis en cultuur van het gezelschap en bracht rust in de tent. „Dat werd destijds niet goed gerund. Er rommelde van alles, organisatorisch, repertoiretechnisch, sociaal. De sterke identiteit van het gezelschap wankelde, wat werd weerspiegeld door de bezoekcijfers.” Ironisch: „Aan mij het voorrecht om het gezelschap weer op de rails te zetten. Dat was niet gemakkelijk.”
Ted Brandsen (rechts) als danser, samen met Hans van Maanen (middenvoor) in 1987, tijdens een repetitie voor het ballet ‘Symphonieën’.
Toch vindt hij die beginperiode terugkijkend niet de moeilijkste tijd. Na enig nadenken noemt hij de covidperiode. „Mijn vader was een maand daarvoor overleden en mijn dementerende moeder woonde in een verzorgingshuis waar we haar niet mochten bezoeken. Als ik daaraan terugdenk, wat ik niet zo vaak doe, krijg ik het moeilijk.” Zijn stem verraadt – zeldzaam – emotie. „Bij wijze van bezoek stonden we voor het raam, voor een moeder die niet meer zeker wist wie ze zag. Vervolgens terugrennen naar het theater om met een heel klein clubje mensen per danser vijf vierkante meter op de vloer af te plakken zodat er getraind kon worden binnen de gestelde beperkingen. Er moest zoveel worden geregeld en geïmproviseerd. Na haar overlijden hielp de coronacrisis me bij het verwerken van het verdriet. Pas later heb ik gemerkt hoe zwaar die periode eigenlijk was.”
De optimist neemt het weer over. „Maar we zijn er goed doorgekomen.”
Inmiddels zijn bezoekcijfers zijn minste zorg. De zalen zitten vol, het publiek stroomt toe, onder andere gelokt met titels als Mata Hari, Frida Kahlo of Lady Macbeth en met geüpdatete of zelfs gedekoloniseerde klassiekers (La Bayadère en Raymonda). Internationale topchoreografen Alexei Ratmansky en Christopher Wheeldon en topdansers als Olga Smirnova, Jacopo Tissi en Anna Tsygankova voelden zich aangetrokken door het brede repertoire. De door Brandsen geïnitieerde Junior Company werd een succes en de groep verkeert in blakende staat.
Vanuit pers en professionals klonk af en toe kritiek, met name op de repertoirekeuze: veilig, met schijnbaar meer oog voor de te vullen stoelen in de zaal dan vernieuwing en avontuur op het toneel.
Brandsen pareert: „Interessante makers komen nooit met honderden tegelijk. In de jaren tachtig was er een explosie van innovatie. Weer zo’n spectaculaire uitbarsting is onwaarschijnlijk. Maar er is wel degelijk een nieuwe generatie. Zelf word ik nog vaak genoeg verrast. Laatst nog, bij het Nederlands Dans Theater, Jan Martens. Hoezo geen vernieuwing? En dan nog, je mag ook best een tijdje genieten van het repertoire dat er is.”
Zijn choreografische werk is door de jaren heen wisselend beoordeeld. Zijn doorgaans opgewekte muziekballetten zijn in hoge mate schatplichtig aan de vormentaal van Hans van Manen en in de avondvullende balletten Mata Hari (2016) en Coppélia (2008) misten sommigen dramatische diepgang en origineel choreografisch vernuft. Brandsens ambachtelijke kwaliteit wordt in het algemeen wel erkend.
Over zijn rol als choreograaf is Brandsen bescheiden. „Mijn functie als directeur was belangrijker dan mijn ontwikkeling als choreograaf. Ik heb nooit de illusie gehad dat ik de belangrijkste choreograaf ooit was.”
„Kunst maken gaat niet vanzelf, het leven ook niet. Je moet wel ergens tegen kunnen.”
Missers zijn onvermijdelijk. Hij memoreert zijn eigen Vuurvogel (2004). „Bij de eerste toneelrepetitie zag ik dat die gewoon niet goed was. Maar ja, met de première een paar dagen later kon ik niet meer terug. Dat is het ergste wat je kan gebeuren. Ik zat met het schaamrood op de kaken, maar het publiek was enthousiast.” Pauze. „Jij was niet zo aardig.”
Op de keper beschouwd kende het ‘regime Brandsen’ weinig drama, hooguit rimpelingen. Het tumultueuze vertrek van eerste soliste Igone de Jongh in 2019 bijvoorbeeld of het interne rapport uit 2022. Daarin werden diverse klachten van dansers geïnventariseerd, maar echt explosief of uitzonderlijk vielen de uitkomsten niet te noemen. Brandsen was vooral geraakt door het commentaar van dansers over hoe zij werden bejegend door leidinggevenden: dat hadden zij niet altijd als respectvol ervaren. „Iets waar je altijd mee bezig bent – een fijne, veilige werksfeer – blijkt dan niet helemaal te zijn gelukt. Pijnlijk, maar na de eerste schok ga je analyseren. En relativeren.” Hij zet vraagtekens bij dergelijke rapporten over sociale veiligheid. „Als je vraagt ‘heb je pijn’ of ‘ben je vervelend behandeld’, komt er altijd wel een bevestigend antwoord. De vraagstelling bepaalt het antwoord. En dat zeg ik niet om te bagatelliseren.”
1981-1991 Danser Het Nationale Ballet
1992 Perspectiefprijs voor The Four Sections
1998-2002 Artistiek directeur West Australian Ballet, Perth
2000 Australian Award for Choreography voor Carmen
2003 Artistiek directeur Het Nationale Ballet
2008 Avondvullend ballet Coppélia
2013 Oprichting Junior Company
2014 Prijs van Verdienste van het Dansersfonds ’79
2016 Avondvullend ballet Mata Hari
2019 De Amsterdamprijs voor de Kunst
2022 Benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
2026 Chevalier de l’ordre des Arts et des Lettres door het Franse ministerie van Cultuur
Met de uitkomsten van het onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in de danssector van Marjan Olfers (Schaduwdansen, 2023) kon hij niet veel. De breedte van de sector (ballet, hedendaagse dans, ballroom, latin, opleidingen) en de wijdmazige opzet creëerde een vertekend beeld, vindt Brandsen. „De pers heeft er vooral de sappige details uitgepikt. Maar kunst maken ís soms grensoverschrijdend. Je moet dansers uitdagen, verder duwen dan ze willen. Dat wringt en knarst soms. Als je elkaar in de basis genoeg vertrouwt, kun je ermee dealen.”
De grootste verandering waarvoor hij als directeur medeverantwoordelijk was, is de openheid binnen het gezelshap. „We overleggen regelmatig met het voltallige gezelschap tijdens Greenroomsessies. Dansers hebben een stem gekregen.” Hij wijst naar een postertje op het prikbord in zijn kantoor: ‘Our shared beliefs’. „Dat hebben we samen opgesteld. Over wat we het belangrijkste vinden, dat we elkaar kunnen aanspreken, kunnen ruziemaken en het weer bijleggen, kritiek leveren zonder dat het meteen oorlog is. Laatst zei een lid van het Britse parlement ‘nobody has the right not to be insulted in life’. Dat onderschrijf ik. We proberen een gezonde mate van weerbaarheid te stimuleren. Kunst maken gaat niet vanzelf, het leven ook niet. Je moet wel ergens tegen kunnen.”
Uiteraard zijn daar grenzen aan. Grensoverschrijdend gedrag kómt voor in de danssector, ook in de balletwereld. Daar zijn, zeker uit het verleden, genoeg voorbeelden van. Tegenwoordig zijn er codes of conduct, dansers worden in het algemeen beter beschermd. Vaak zijn het nu de leidinggevenden die zich kwetsbaar voelen, aldus Brandsen. „Je kunt zomaar ergens van worden beschuldigd. Dan ben je de sjaak. Dan moet je je onschuld bewijzen. Een collega-directeur werd valselijk beschuldigd: baan kwijt, enorme depressie, hij wilde niets meer met dans te maken hebben. Allemaal door een wraakactie. In de Verenigde Staten zijn ze nu als de dood: nóóit alleen met een danser in de studio, persoonlijke gesprekken áltijd met iemand erbij. Zo wil ik niet werken.”
Na 2 juli zijn het zijn zorgen niet meer. Hij draagt zijn taken over aan Ernst Meisner. Om zijn opvolger niet voor de voeten te lopen en afstand te nemen verhuist hij naar de Portugese Algarve, waar hij een huis heeft. Wel wil hij zich blijven inzetten voor de dans in Nederland. Die krijgt nog altijd niet de aandacht en support krijgt die hij verdient. „Het ballet is hier niet zo geworteld als in andere landen. In ons land is vernieuwing min of meer de norm, maar de klassieke dans bouwt voort op traditie en geschiedenis.”
Hij verwijst naar een opiniestuk van Melle Daamen (2013), die opperde dat Het Nationale Ballet kon worden opgedoekt. Klassiek ballet kon volgens hem wel uit Rusland worden geïmporteerd. „Die heb ik echt wel vervloekt hoor. Zó vijandig. Als HNB mogen we niet klagen en we moeten als sector niet calimeroachtig doen, maar dans is, zoals Hans zei, ‘een ondergeschoven kindje’. Terwijl: we doen zulke goeie dingen, we staan internationaal zo goed aangeschreven, we betekenen zo veel voor zo veel mensen. Dat zal ik van de daken blijven schreeuwen. Hoe vermoeiend soms ook.”
Eerst eens goed uitrusten, na jarenlang buffelen aan de Amstel. Gaat dat lukken, in zijn eentje in de Algarve? „In de buurt van Olhão wonen al meerdere vrienden van me, we vormen een kleine gemeenschap. Mijn huis daar wordt de uitvalsbasis voor internationale activiteiten.” Zijn agenda loopt al langzaam vol. Voor de dagelijkse portie schoonheid zal de Algarve zorgen. Tikje ruiger, dat wel.
Gala t.g.v. afscheid Ted Brandsen, Amsterdam Nationale Opera & Ballet, 2/7. www.operaballet.nl