Nederland-Marokko was voor sommigen niet zomaar een voetbalwedstrijd. Ik hoorde tijdens het duel mijn buren schreeuwen en werd daar om 05.00 uur wakker van. De Marokkaans-Nederlandse schrijver Abdelkader Benali vertolkte een vergezochte visie over deze wedstrijd: een allegorie van diaspora, kolonialisme, onderdrukking en verzet. Deze krant gaf hem hiervoor zelfs een hele pagina. De westerling werd door de gelauwerde auteur via deze WK-wedstrijd in de beklaagdenbank gezet. Benali zag in het spelletje diepe sociaal-culturele betekenissen waarbij, zoals zo vaak bij hem, de migrant een underdog is. Ik ergerde me er groen en geel aan.
Nou is Benali geen kleine jongen. Hij heeft een serieus oeuvre, een indrukwekkende prijzenkast en een cv om trots op te zijn. Hij is dus het toonbeeld van een geslaagde migrant. Ik kan niet in zijn schaduw staan, maar één ding hebben we gemeen: we zijn geïntegreerd. Daar heeft hij vast en zeker hard voor gewerkt, net als ik. Vijftig jaar geleden stonden Turkse en Marokkaanse kinderen al bij hun geboorte met 1-0 achter. Maar Nederland bood kansen. Wie zijn best deed, kon met vlag en wimpel slagen. Voorbeelden genoeg: onze minister van Defensie en eerste vicepremier is de Turks-Koerdische Dilan Yeşilgöz, de ceo van reisorganisatie Corendon is Günay Uslu, een kind van Turkse gastarbeiders. Kortom: iedereen die zijn best doet kan succesvol zijn.
Het tendentieuze WK-verhaal van Benali schiet mij dus in het verkeerde keelgat. ‘Voor wie ben je?’ is volgens mij een onschuldige vraag die je als toeschouwer gerust kunt stellen, maar Benali ontwaart smoezelige gedachten met onfrisse antropologische betekenissen. Wie aan een Nederlander met Marokkaanse wortels vraagt of hij voor Nederland of Marokko is, begrijpt volgens hem niets van de diaspora. Voor mij is deze vraag juist prima – interessant zelfs.
Als Turkse migrantendochter ben ik namelijk een vurige Oranje-fan. Altijd al geweest. Toen Nederland in 1988 voor het eerst de Europese titel behaalde, zat mijn hele familie in Izmir juichend voor de televisie. Dat had niets te maken met nationaliteit, religie of onderdrukking. Hun liefde voor het Nederlands elftal was gebaseerd op het feit dat mijn vader sinds 1962 in Rotterdam woonde. Zij ontwikkelden sindsdien sympathie voor Nederlandse kaas en voetbal. Hij is inmiddels overleden maar de familie Bilic blijft bij elke interland Oranje steunen. Ook ik.
Deze eenvoudige werkelijkheid is voor de intellectuele Benali kennelijk niet relevant. Het vrolijke voetbalspel wordt door hem geplaatst in de maatschappelijke discussie over migratie en integratie. Hij zoekt spijkers op laag water. Mijn familie werd Oranjesupporter omdat mijn vader hier ging werken. Mijn neefje is voor Argentinië omdat hij fan is van sterspeler Lionel Messi. Jochies uit Amsterdam-West zijn voor Marokko omdat hun opa uit Nador kwam, of gewoon omdat ze zin hebben om tegen Oranje te zijn. Pubers zijn nou eenmaal tegendraads.
Maar wat moet een polemist met deze waarheid als een koe; dat sympathie voor een voetbalclub vaak weinig betekent? Laten we eerlijk zijn: voor de gewone, gemiddelde voetballiefhebber is de vraag ‘voor wie ben je?’ meestal gewoon nieuwsgierigheid. Het is gekeuvel. Maar Benali maakt van het verwachte antwoord een loyaliteitstest. Zo’n test maakt de vraag inderdaad beladen. Of iemand voor Marokko of voor Nederland is, kan echter duizend-en-een motieven hebben die ook nog eens per individu in de tijd veranderen. Maar Benali ziet geen individuen. Hij ziet collectieven. De inheemse Nederlander. De diaspora. Het Mondiale Zuiden. De kolonisator. De onderdrukten. Het zijn grote woorden die miljoenen mensen reduceren tot sociologische categorieën.
Een klasgenoot van mijn dochter is een inheemse Nederlander, geboren en getogen in Amsterdam. Zij is van jongs af aan voor Spanje, want dat is het land van Sinterklaas. Zelf ben ik geboren en getogen Rotterdammer en dus zal ik nooit voor Ajax zijn. Niemand zoekt daar een diepe verklaring achter . Misschien is er wel een lezer die zegt: ‘als Rotterdammer ben je geen Amsterdammer; rot op naar je eigen stad, kakkerlak.’ Prima. Maar laten we het alsjeblieft niet groter maken dan het is. Het Oranjelegioen is immers even multiculti als de spelersselectie. Meer dan de helft van de voetballende leeuwen heeft een Caraïbische, Afrikaanse of Indonesische afkomst. Afkomst en geschiedenis bepalen je toekomst niet. Wie (niet) voor Oranje is pleegt geen verraad.
Aylin Bilic is headhunter en publicist.