De jaarlijkse Foam Talents-tentoonstelling in fotografiemuseum Foam in Amsterdam heeft deze keer als thema: thuis. Wat is dat eigenlijk? En hoe ziet het eruit? De Volkskrant koos de vijf meest in het oog springende projecten.
is schrijver en kunstjournalist
Thuis. Voor de een warm, veilig, gelukkig; voor een ander juist kil, beklemmend of zelfs bedreigend, een plek om zo snel mogelijk te verlaten. Precies vanwege die waaier aan betekenissen is ‘thuis’ zo’n goed fotografiethema, net als ‘familie’ of ‘feest’: voor niemand hetzelfde en daardoor heerlijk breed.
Zou dat ook de reden zijn dat er een recordaantal van bijna drieduizend inzendingen binnenstroomde voor Foam Talent, de tweejaarlijkse talentenjacht van Foam Amsterdam voor fotografen onder de 40? Voor deze 17de editie ontving de organisatie fotoseries uit maar liefst 107 verschillende landen.
Uit al die inzendingen werden vijftien fotografen gekozen door de jury, bestaande uit conservatoren en medewerkers van fotografiemuseum Foam en Foam Magazine. Hun werk is nu te zien in Foam (dat trouwens met veel geklop en geboor wordt verbouwd, wat gek genoeg best goed bij het thema past). Allemaal geven ze op geheel eigen wijze vorm aan de vraag hoe ‘thuis’ er eigenlijk uitziet en hoe het voelt om je ergens thuis te voelen, ook al is dat heel ergens anders.
De Volkskrant koos de vijf meest in het oog springende projecten en geeft als tip: bekijk vooral ook het bijbehorende themanummer van Foam Magazine. Daarin staan nog meer foto’s, en wordt het werk uitgebreider toegelicht dan in de tentoonstellingszalen.
Over beklemmend gesproken. De foto’s van Sara de Brito Faustino (Zwitserland, 1999) benemen je de adem, zo zwaar voelen ze. Naakte figuren (de kunstenaar zelf, verstopt onder een dikke laag klei, soms ineens met een extra ledemaat) en gigantische lichaamsdelen (een witte voet, een kies met maden erop) bevinden zich in de veel te kleine ruimten van een soort poppenhuis, dat kaal en ongezellig oogt.
Faustino’s ouderlijk huis blijkt vakkundig nagemaakt door de kunstenaar. Op tafel staan de letterlijk gestolde resten van een ontbijt, onder het strijkijzer kleeft een bos sliertig haar (titel van het werk: Mom) en even verderop steekt een enorme, glanzende vork dwars door een dijbeen heen. Nou. Van een zogenaamd warm ‘thuisgevoel’ laat de fotograaf geen spaander heel. Met haar foto’s, die zowel mooi als onheilspellend zijn en waarin ze speelt met schaal en verhoudingen, weet Faustino te fascineren. En wellicht pakt ze er ook iets van controle over de situatie mee terug.
Het begon met een foto met het nummer 303. Er stond een anonieme dienstknecht op. ‘Chinese jongen serveert zijn meester’, stond erbij. Sean Cham (Singapore, 1994) vond het 19de-eeuwse beeld in de collectie van het Nationaal Museum van Singapore.
Daarna stuitte hij per toeval op foto 301, toen hij door de archieven van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde dwaalde. Daar was diezelfde Chinese jongeman weer, nu in een wit gewaad en met een dienblad in zijn handen. Grote vraag natuurlijk: waar was foto nummer 302? Cham dook in het gat van de missende foto en kwam aan de andere kant tevoorschijn met een geheel eigen invulling van zaken.
In Rehearsal for 302 plaatste hij zichzelf met behulp van ouderwets knippen en plakken en AI-technieken in de positie van de bediende, in hetzelfde witte gewaad en met dezelfde lange vlecht. Alleen, in de versie van de geschiedenis volgens Cham heeft die bediende ineens de vrijheid om even een boekje te lezen wanneer hij daar zin in heeft, of om te genieten van de weelderige tuin. Of om op de schoot van zijn ‘meester’ te gaan zitten, een rol die wordt vervuld door Chams partner. Zo bevrijdt de fotograaf de bediende en zet hij het verleden naar zijn hand.
Een monster van op elkaar gestapelde graafmachines. Een lege speeltuin met een paar achtergelaten slippers. Een dansende tafel op sprinkhaanpoten in de woestijn. Op het eerste gezicht zijn de collages van Nazanin Hafez (Iran, 1991) intrigerend genoeg om er met je neus bovenop te gaan staan.
Hafez bouwde ze op uit foto’s van onlinebronnen als Iraanse persbureaus en foto’s van openbare plekken. Je zou ze grappig of speels kunnen noemen, surrealistisch ook; de speeltuin oogt alsof hij door de Spaanse schilder Salvador Dalí is ontworpen. Maar kijk wat langer en de twijfel slaat toe. Wat zíjn dit eigenlijk voor locaties? En waarom staan er zo vaak mensen in groepen te kijken alsof ze ergens op wachten?
Nou ja: omdat dat precies is wat ze doen. Dit zijn mensen die, uit vrije wil of gedwongen, als toeschouwers wachten op openbare executies, een repressiemiddel dat het Iraanse regime graag inzet tegen de eigen bevolking. De openbare ruimte als arena. En ineens ben je als museumbezoeker óók zo’n wachtende toeschouwer geworden. Als vanzelf doe je een stapje terug.
Wat als je ‘thuis’ maar één tandenborstel hebt, die je moet delen met 35 andere vrouwen? Wat als je je slechts twee keer per jaar de beschikking hebt over een pak maandverband? Of als je je regelmatig moet uitkleden, tot vermaak van de mannen die de poortwachters van zowel je huis als van je leven zijn?
In Called to the Carpet verbeeldt Sasha Velichko (Belarus, 1993) het leven van Belarussische vrouwen die de gevangenis als hun huis moeten beschouwen. Ze boetseren er schaakstukken van niet te verteren gevangenisbrood en maken make-upkwasten van haar, lucifers en draden. Velichko maakte overbelichte en minimalistische documentairefoto’s van dit soort alledaagse noodoplossingen – een soort lifehacks voor gevangenen – en combineert die met sterk uitvergrote politieportretten van de vrouwen, waarvan de kunstenaar sommige tot tapijten liet verweven. Deze serie toont tegelijkertijd zowel de verstikkende Belarussische macht, als de manieren – hoe klein ook – om daar weerstand aan te bieden.
Het is nogal een foto, The Black Panthers Meet Nelson Mandela, van Farren van Wyk (Zuid-Afrika, 1993). Daar zit de fotograaf zelf, op een troon van riet, met nepwapens in haar handen en achter zich een levensgrote schildering van ‘typisch’ Zuid-Afrikaanse dieren: een gnoe, een olifant, een leeuw, een luipaard.
Om haar heen staan en liggen haar drie broers, net als Van Wyk gekleed in zwarte bomberjacks en met zwarte baretten op. Ze kijken allemaal bloedserieus de camera in, je weet als toeschouwer eigenlijk niet of je moet lachen of dat je dat beter kunt laten. De hele scène speelt zich trouwens af in de heel Nederlands aandoende tuin van een huis in Putten. Daar groeide Van Wyk vanaf haar 6de op.
Haar project Mixedness Is My Mythology is een onderzoek naar haar dubbele afkomst, naar de verschillende culturele invloeden op haar leven en identiteit, en naar familiegeschiedenis. Dat doet ze in analoge zwart-witfotografie, een verwijzing naar 19de-eeuwse antropologische foto’s, gemaakt om Zuid-Afrikaanse mensen van kleur te kunnen bestuderen, en ook vanwege de grijstinten – niet wit, niet zwart – die Van Wyks genealogische onderzoek alle vrijheid en nuance geven die ze zoekt. Het is namelijk precies die mengvorm die haar definieert.
Foam Talent 2026, Foam, Amsterdam, t/m 26/8. Foam Magazine #68: Talent, € 39,95.
Source: Volkskrant