Het kabinet wil het werknemers makkelijker maken om van baan te veranderen. De regels rond het concurrentiebeding in arbeidscontracten, waarmee bedrijven willen voorkomen dat een branchegenoot hun personeel wegkaapt, worden flink aangescherpt.
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over financiën en landbouw.
Het stond al in de aanbevelingen van de commissie-Borstlap, die in 2020 een gezaghebbend advies uitbracht over noodzakelijke hervormingen van de arbeidsmarkt: kabinet, pak het concurrentiebeding aan. Een jaar later constateerde onderzoeksbureau Panteia dat een derde van de Nederlandse werkgevers hun personeel standaard bindt aan zo’n concurrentiebeding. Dat is een tijdelijk verbod om in dienst te treden bij een concurrent, meestal op straffe van een flinke boete.
De vrees voor boetes en juridische procedures kan werknemers beletten in te gaan op aanbiedingen van andere werkgevers. Daardoor missen ze potentieel kansen op promotie en een beter salaris. Het concurrerende bedrijf wordt ook benadeeld, want dat vist bij het werven van personeel in een kleinere vijver als alle branchegenoten hun werknemers ‘vasthouden’ met een concurrentiebeding.
Vanuit macro-economisch perspectief bekeken is die beperking van de arbeidsmobiliteit ongewenst, stelde Borstlap. Door het grootschalige misbruik van het concurrentiebeding functioneert de arbeidsmarkt minder goed. Een concurrentiebeding mag niet gebruikt worden om werknemers vast te houden in een krappe arbeidsmarkt. Dat is oneigenlijk gebruik, waarvoor het concurrentiebeding nooit bedoeld was. Het is bedoeld om te voorkomen dat een werknemer cruciale bedrijfsgeheimen en/of klantencontacten meeneemt naar een concurrent.
Maar uit onder andere het Panteia-onderzoek blijkt dat een derde tot de helft van de werkgevers het concurrentiebeding toepast om ook personeel zonder cruciale expertise en contacten aan zich te binden.
De Hoge Raad behandelde in 2022 een zaak van een transportbedrijf dat een vrachtwagenchauffeur 500 euro boete per dag wilde laten betalen omdat hij voor een concurrent ging werken. Het hoogste rechtscollege oordeelde dat de werkgever de chauffeur onevenredig benadeelde met deze uitleg van het concurrentiebeding.
Het kabinet-Rutte IV concludeerde dat er een wetswijziging moest komen. Toenmalig minister van Sociale Zaken Karien van Gennip (CDA) kwam in juni 2023 met een wetsvoorstel, maar dat bleef onder het kabinet-Schoof twee jaar op de plank liggen.
In het regeerakkoord van het kabinet-Jetten staat dat dit weer wordt opgepakt. Minister Vijlbrief (D66, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) legt het wetsvoorstel van Van Gennip nu voor aan de Raad van State. Hij hoopt het eind dit jaar voor behandeling naar de Tweede Kamer te sturen.
Als de wetswijziging wordt aangenomen, mogen werkgevers het concurrentiebeding niet meer standaard in al hun arbeidsovereenkomsten opnemen. Ze moeten voortaan goed motiveren waarom het beding volgens hen in dit specifieke geval nodig is. Het beding mag alleen worden afgesproken voor een geografisch begrensd gebied en voor maximaal twaalf maanden.
Als de werkgever het beding inroept, moet hij de vertrekkende werknemer een half maandloon betalen voor elke maand dat het beding van kracht is. Bij een termijn van twaalf maanden krijgt de werknemer dus zes maanden extra salaris mee. Deze vergoeding dient als waarborg dat bedrijven concurrentiebedingen alleen inroepen als de belangen groot zijn, en er niet lichtzinnig mee omgaan. In de meeste andere Europese landen is zo’n vergoeding al gebruikelijk, Nederland loopt wat dat betreft achter.
Luister ook naar onze politieke podcast ‘De Kamer van Klok’:
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant