is wetenschapsjournalist.
Als de regen geen verlichting meer brengt en de vogels van het dak vallen, kunnen ook onze eigen lichamen het gaan begeven.
Een hittegolf is een soort dans, waarvan ik dacht dat ik de regels kende. Het begint met een paar warme dagen. Dan wordt het zo heet dat je je klusjes naar de vroege ochtend verplaatst. Het gras is geel, de lucht te blauw. Buren steken rokerige barbecues aan. In de avond daalt de temperatuur. Buiten heb je misschien een dunne trui nodig. Binnen kun je je ramen opzetten en met wat huis-, tuin- en keukennatuurkunde de boel laten afkoelen.
De laatste dag van de hittegolf wordt het benauwd en bewolkt. Je ruikt regen, de lucht wordt donkergrijs, er steekt een harde, warme wind op. Het gerommel start in de verte, je ziet bliksem, de eerste regendruppels vallen. Je rent naar buiten om de petrichor te ruiken en in de regen te dansen, totdat je koud wordt en dat heerlijk vindt. En daarme is de ellende weer voorbij.
De aarde verandert razendsnel door menselijke ingrepen en de klimaatverandering. Asha ten Broeke beschrijft elke maand waar dat pijn doet.
Van een hittegolf zoals we net hebben meegemaakt, ken ik de stappen niet. Ineens onweert het aan het begin van de hittegolf, maar brengt de regen geen verlichting. De zomernachten zijn zo heet dat je je huis niet meer koel krijgt. Het gras blijft groen en buiten hangt de geur van natte, warme planten – het ruikt naar regenwoud, denk ik.
Alles hieraan voelt verkeerd. Alsof een vertrouwd seizoen ineens een vreemde is geworden. Niet langer die fijne vriend van fietstochten met een ijsje na en lange dagen naast het buitenzwembad, maar een soort hooligan, die zelfs je eigen huis onveilig kan maken en waar we elkaar voor moeten waarschuwen met akelige woorden – ‘een atmosferische oven’, ‘de meltdown van Europa’ – en hitte-alarmen: code oranje, code rood. Dat laatste betekent, zo legt een Britse arts uit, dat er ‘een risico is om te sterven, zelfs voor het gezonde deel van de bevolking’.
De zomer heeft tanden gekregen.
Koele zomerdagen, waarbij de temperatuur onder de 15 graden blijft, zijn al bijna uitgestorven, las ik op de website van het KNMI. De laatste was in 2020. Zachte dagen, tussen de 15 en 20 graden, worden schaarser; tropennachten van boven de 20 graden dan weer steeds gewoner. Hitte kan zich ineens als een soort koepel over een continent leggen; in Spanje zijn er plekken waar het zelfs ’s nachts meer dan 30 graden blijft.
Het is een gevolg van de klimaatcrisis, natuurlijk, maar dan niet langer als statistiek ergens in de achtergrond van ons dagelijks leven, of een wetenschappelijke werkelijkheid om te bespreken in de krant, maar als een realiteit die we kunnen voelen op onze huid wanneer we ’s nachts in bed liggen en aan onze lakens vastplakken.
Niets hiervan is een verrassing. In het door Shell & co zo roekeloos opgewarmde klimaat verdampt er meer water uit meren en zeëen. Warme lucht houdt dat water beter vast, waardoor de luchtvochtigheid stijgt. En vochtige lucht koelt op haar beurt een stuk langzamer af dan droge. En met een beetje pech maakt al dat vocht wolken, die zichzelf ’s nachts als een dekentje over de opgewarmde lucht leggen.
In steden zijn mensen, als bonus, omringd door steen, asfalt en beton: materialen die overdag de hitte opzuigen en dan in de nacht, erg onattent, gaan lopen uitstralen.
Geen lijf is hiervoor gemaakt. Hommels kunnen, met hun vachtjes, niet uitvliegen zonder te oververhitten. Vogels hebben geen zweetklieren en koelen zich met open bekjes, tot ze letterlijk dood van het dak vallen. Zwaluwkuikens worden levend gestoofd in hun nestjes van klei. En mensen kunnen best tegen hoge temperaturen, vertelt een Amerikaanse hitteonderzoeker, zolang je lichaam maar af en toe kan afkoelen en herstellen.
Lukt dat niet, bijvoorbeeld omdat je de hele nacht ligt de marineren in zo’n vervloekte tropennacht, dan vergroot dat de kans dat je immuunsysteem begint te haperen, of je hart, of dat je een beroerte krijgt, of doodgaat.
Ik wil helemaal geen zomer met tanden. Geen ovens, geen meltdowns, geen dood. Ik wil de wind op m’n huid voelen, niet de klimaatcrisis. Ik wil aan de kamperfoelie ruiken en dan een hommel laten schrikken. Ik wil zwaluwen zien vliegen in het avondlicht, en dan zeggen: het wordt fris.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant