Home

‘De bank waar jij nu op zit, hebben we gekocht bij V&D en in 1954 naar Nieuw-Guinea laten verschepen’

Hiltje van Rongen-van der Meer is 100 jaar. Hoe kijkt deze gedisciplineerde perfectionist terug op haar lange leven?

Hiltje van Rongen-Van der Meer behoorde tot de eerste lichting vrouwen bij de marine, de Marva. Vanaf oktober 1944 mochten vrouwen, fel verzet van kerken in Nederland ten spijt, het mannenbolwerk betreden. Het was pure noodzaak. Er was meer marinepersoneel nodig, onder andere voor het terugveroveren van de toenmalige kolonie Nederlands-Indië op Japan. Vrouwen konden het ondersteunende werk aan de wal overnemen, was het idee, zodat zoveel mogelijk mannen de zee op konden. De leuze voor de wervingscampagne luidde dan ook: ‘Maak een man vrij voor de vloot’.

Met haar voorliefde voor discipline voelde de toen 19-jarige Hiltje van der Meer zich als een vis in het water op de marinebasis in Den Helder. Nu is ze 100 jaar en noemt ze die jaren ‘de mooiste’ van haar leven.

Hoe gaat het met u?

‘Ik mankeer niks. Ik slik geen medicijnen, dat heb ik nooit gedaan, want ik ben kerngezond. Daar vraag je niet om, dat krijg je. Wel neem ik elke dag een capsule visolie, een teentje knoflook, een handje cranberry’s en twee gedroogde abrikozen – die zijn goed voor je hart. Ik ben nooit ziek geweest. Waar ik alleen last van had toen ik jong was, was zware hoofdpijn. Na de menopauze was het in één keer afgelopen.

‘Zolang ik alles nog zelf kan, ga ik gewoon door. Mezelf wassen en aankleden, mijn bed opmaken – het laken moet heel strak om het matras – en de was doen, dat lukt allemaal nog. Een keer per week komt mijn huishoudelijke hulp, een Oekraïense die mij veel over haar land vertelt. De groenteboer brengt verse maaltijden en mijn kleindochter Evelien bestelt boodschappen die aan huis worden bezorgd.

‘Ik heb twee nieuwe knieën en twee nieuwe heupen, de laatste operatie was na een val ruim drie jaar geleden. Van de huisarts mag ik niet meer alleen naar buiten. Om de dag loop ik de gang in deze serviceflat een paar keer op en neer, met de rollator. Ik heb aardig wat aanloop en als het mooi weer is, vraag ik of mijn bezoek met mij buiten wil wandelen.’

Hoe zou u uzelf typeren?

‘Ik ben gedisciplineerd en perfectionistisch. Ik leef volgens een vaste regelmaat en vaste patronen. Er zit cadans in mijn leven. Discipline geeft rust.

‘Elke dag sta ik om half 7 op en lig ik om klokslag 22 uur in bed. Om 8 uur ontbijt ik, om 12 uur eet ik een kleine lunch, altijd warm, dat doe ik al mijn hele leven. En om 18 uur eet ik weer een boterham. Spullen leg ik na gebruik altijd meteen op precies dezelfde plek terug. Ik ben te secuur om iets kwijt te raken en ik hou niet van rommel.

‘Ook blijf ik niet lang in iets hangen. Als je je niet goed voelt, moet je niet op bed blijven liggen en klagen, dat helpt niet. Je kunt beter opstaan en rustig doorgaan. Vanochtend werd ik bijvoorbeeld wakker met duizelingen. Ik bleef een tijdje op de rand van mijn bed zitten en stond daarna heel rustig op. Ik heb geen moment overwogen om vanwege die duizeligheid dit interview af te zeggen. Door de afleiding en het gezelschap voel ik mij een stuk beter.’

Zijn uw discipline en perfectionisme een kwestie van karakter of bent u zo opgevoed?

‘Het zat in onze familie. Mijn moeder was Duitse, Duitsers zijn van nature gründlich. Als kinderen moesten we altijd om half 7 opstaan, we mochten nooit uitslapen. Mijn zoon en dochter heb ik ook gedisciplineerd opgevoed, of zij dat later gehandhaafd hebben, weet ik niet.’

Hoe kijkt u terug op uw jeugd?

‘Als kind was ik heel schuchter, nog steeds ben ik geen mens dat op de voorgrond treedt. Ik ben geboren in Soerabaja, in Nederlands-Indië. We verhuisden naar Borneo. Een school was er niet, onze moeder gaf ons thuisonderwijs. Mijn vader werkte bij de BPM, de Bataafse Petroleum Maatschappij, die later fuseerde met Shell. Het was geen overdreven gedoe bij ons thuis, alles wat we kregen was met mate. Ik droeg de jurken waar mijn oudere zus was uitgegroeid. Als het niet helemaal paste, naaide mijn moeder er een strook stof tussen. Onze fietsen kocht mijn vader in het pandjeshuis, tegenwoordig heet dat een kringloopwinkel. Als ik een lekke band had, onderzocht hij mijn fiets – als hij constateerde dat ik tegen een stoeprand was opgereden, moest ik de reparatie zelf betalen.

‘Door de economische recessie raakte mijn vader werkloos. In 1934, ik was 8 jaar, zijn we daarom naar Nederland verhuisd, waar hij administratief werk ging doen. Per schip voeren we naar Genua, vandaar reisden we met de trein naar Nederland. Onderweg bij het Vierwaldstättermeer in Zwitserland stopte de trein even, zodat we konden uitstappen om de sneeuw te voelen.

‘In Den Haag begon ons nieuwe leven, we verhuisden naar de bosrijke omgeving van Hilversum, waar ik naar de hbs ging. Van de oorlogsjaren hebben we weinig last gehad. Honger heb ik niet gehad, mijn vader denk ik wel. Hij was een grote, zware man van twee meter lang. Het eten dat we met voedselbonnen konden krijgen, was niet genoeg voor hem.’

Had u een meisjesdroom?

‘Eigenlijk niet. Ik was 18 toen de oorlog was afgelopen, ik had mijn hbs-diploma op zak, wat moest ik doen? Ik hoorde over de mogelijkheid voor vrouwen om in militaire dienst te gaan bij de marine. Dat was nieuw in Nederland, in Engeland en Amerika kon het al. Ik meldde mij aan bij de Marva, de Marine Vrouwenafdeling. Na een opleiding van vier maanden als tandarts-assistent, werd ik in Den Helder gestationeerd, waar ik in de tandartspraktijk van de marinebasis aan de slag kon. We waren echte militairen, in uniform, een blauwe rok en jasje, en een wit overhemd – een soort militair mantelpak. Het enige wat we als marinevrouwen niet mochten, was aan boord van een oorlogsschip. Dat was voor ons verboden terrein. We namen alle ondersteunende diensten aan de wal over van de mannen, zodat die de zee op konden.

‘Ik hoefde niet te wennen aan het leven bij de marine. Het ging er gedisciplineerd aan toe, zonder flauwekul, zoals ik van huis uit gewend was. Met een groep vrouwen woonden we in een Marva-huis waar een commandant aan het hoofd stond. We sliepen met zijn vieren in een hut, zo noemde je dat. Ieder had zijn huishoudelijke taak in het huis, om de beurt moest je de vloer dweilen.

‘Dit was een van de plezierigste perioden van mijn leven. Ook omdat ik in Den Helder, op straat, mijn man heb ontmoet. Hij volgde een opleiding tot marineofficier, met een specialisatie in diepzeeduiken en bommen en mijnen demonteren.’

Hoe vond u het dat u moest stoppen met werken na uw huwelijk?

‘Helemaal niet erg. Nog steeds ben ik graag thuis. Mijn man was marineofficier en vaak lange tijd weg, naar Indonesië bijvoorbeeld, de langste periode was anderhalf jaar. Dan had ik alleen de zorg voor onze twee kleine kinderen. Dat heb ik nooit een probleem gevonden. We hadden een avontuurlijk leven, zijn vaak verhuisd, naar Nederlands-Indië, Nieuw-Guinea, Suriname, Brits-Guyana – plaatsen waar mijn man op een marinebasis werd gestationeerd. Onze dochter is geboren in Medan, op Sumatra. Als mijn man op zijn marinefluit blies, wisten de kinderen dat het weer zover was: koffers pakken en gaan. De bank waar jij nu op zit, hebben we gekocht bij V&D in Hilversum en in 1954 naar Nieuw-Guinea laten verschepen.’

Is er iets wat u stoort aan de huidige tijd?

‘Dat iedereen elkaar maar bij de voornaam noemt. Daar gaat geen respect voor een ander van uit. Ik ben mevrouw Van Rongen en dat blijf ik. Mag ik op mijn 100ste nog een mevrouw zijn?

‘Verder vind ik het niet goed dat beide ouders van opgroeiende kinderen werken. Als kinderen uit school komen, moet een van de ouders thuis zijn, zodat kinderen hun verhaal kwijt kunnen, ze kunnen bespreken wat ze niet begrijpen. Nu moeten ze veel zelf uitvinden en lopen met een huissleutel om de nek. Gezinnen zijn los zand geworden, minder hecht dan in mijn tijd. Ach, het rommelt overal in de wereld, in het groot en het klein. Ik volg het nieuws op de radio, maar ik vraag mij af of het nou zo prettig is om alles te weten. Ik geloof dat je je het beste bij je eigen schuurtje kunt houden.’

Wat is uw dierbaarste bezit?

‘Ik had veel juwelen, maar die heb ik allemaal verkocht, omdat ik ze toch niet droeg. De opbrengst heb ik verdeeld over mijn kleinkinderen. Ik heb er wel een beetje spijt van, want er zaten mooie sieraden bij. Maar ach, het geld is goed terechtgekomen.’

Wie mist u het meest van wie u verloren hebt?

‘Mijn man mis ik natuurlijk het meest, we hadden een goed huwelijk. En mijn dochter, ze is twee jaar geleden overleden aan longkanker. Elke dag denk ik aan ze, maar ik kan leven met het gemis. Ik leef in het moment en prijs elke nieuwe dag. Ik ben dankbaar als ik weer wakker word en zonder kleerscheuren kan opstaan. Dan denk ik: ‘Ik ga weer iets doen!’’

geboren: 30 december 1925 in Soerabaja, Nederlands-Indië

woont: zelfstandig, in Voorhout

familie: 2 kinderen (1 overleden), 6 kleinkinderen (2 overleden), 7 achterkleinkinderen

beroep: militair

weduwe sinds 2003

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next