Hoogleraar media, jeugd en samenleving Patti Valkenburg suste meestal de paniek die over vermeend kwalijke effecten van media op jongeren. Bij haar afscheid waarschuwt ze wel voor de sociale media van nu. Wat maakt die zo anders?
De zon komt op als een kraaiend babyhoofd. Wandelende, aaibare tv’s met poppengezichten en een antenne op hun hoofd wachten vol spanning op wier buik er een filmpje zal verschijnen. Het is de rooie. Een video van kinderen die naar zwanen kijken. Nog een keer!
Eind jaren negentig steken de Teletubbies vanuit Groot-Brittannië over naar Europa. Baby’s en dreumesen schuiven massaal voor de televisie. Artsen slaan alarm, opiniemakers vliegen in de gordijnen: kleine kinderen zouden er slaapproblemen en ADHD van krijgen en later minder goed presteren op school.
Als wetenschapper ontkrachtte Patti Valkenburg (67) dit soort onderbuikgevoelens door te doen wat destijds vrijwel niemand nodig achtte: onderzoek. Nu ze dertig jaar later vanuit haar woonkamer (smetteloos, modern, met fenomenaal uitzicht op het Amsterdamse IJ) terugblikt op haar carrière als hoogleraar media, jeugd en samenleving, is vrijwel alles rondom die drie woorden ingrijpend veranderd.
Dat geldt ook voor Valkenburg zelf. Van een uitzendkracht die nergens terechtkon met haar plannen om onderzoek te doen naar media-effecten op de jeugd, groeide ze uit tot de oprichter van het wetenschappelijk instituut Ccam, waar 22 wetenschappers zich dagelijks verdiepen in precies dat: de invloed van (sociale) media op kinderen. Ze werd hoogleraar in een tijd dat slechts 4 procent van die functies door vrouwen werd bekleed (inmiddels is dat 30 procent).
In 2011 kreeg Valkenburg de Spinozapremie, de hoogste Nederlandse wetenschappelijke onderscheiding, voor ‘grensverleggend onderzoek naar jongeren en de media’. De organisatie omschreef haar als ‘de meest productieve en een van de meest geciteerde communicatiewetenschappers binnen Europa’.
Vijf jaar later kreeg ze de ICA Fellow Award, de belangrijkste internationale oeuvreprijs in de communicatiewetenschap. Samen met haar vakgenoten sleepte ze ruim 37,5 miljoen euro aan onderzoeksbeurzen binnen.
Vorig jaar zomer ging ze stilletjes met emeritaat, sindsdien verwijst ze journalisten met vragen door naar een van haar vele opvolgers. Voor dit afscheidsinterview maakt ze een uitzondering. Ze wil nog één keer terugblikken op dertig jaar onderzoek.
Ze wil uitleggen waarom ze maatschappelijke zorgen over gewelddadige videogames, seks op tv of de opkomst van sociale media jarenlang relativeerde, maar waarom zij zich nu toch zorgen maakt.
Tijdens het interview citeert ze meermaals het mantra waaraan ze zich als mediaonderzoeker vasthield: ‘Alles verandert, opdat alles hetzelfde blijft’, vrij naar de Italiaanse klassieker De Tijgerkat van Giuseppe Tomasi di Lampedusa. Op het gebied van media is alles veranderd, zegt Valkenburg, maar de achterliggende psychologische mechanismen zijn hetzelfde gebleven.
Als dochter van een Italiaanse moeder – haar vader overleed toen ze 5 jaar was – groeide Valkenburg op in een arbeidersmilieu. Haar opa kwam als terrazzolegger naar Nederland. ‘Het lag niet in de lijn der verwachting dat ik ging studeren. Ik ben secretaresse geweest, telefoniste, receptioniste, verpleegkundige, barjuffrouw – ik kan nog steeds uitstekend bier tappen.’
Hoe kwam u uiteindelijk toch op de universiteit terecht?
‘Omdat ik mijn werk niet bevredigend vond, ging ik een hbo-studie Nederlands doen. Van mijn scriptie werd een boekje uitgegeven, waarna mijn uitgever zei: ‘Jij moet naar de universiteit.’
‘Dus dat deed ik, op mijn 30ste. Ik stond iedere dag om acht uur op en studeerde in twee jaar af, cum laude, met een scriptie over het effect van mediageweld op angst.’
In 1990 werd daar nog niet veel onderzoek naar gedaan. Waarom besloot u zich hierin te verdiepen?
‘Ik ben katholiek opgevoed en in mijn tijd werd je bang gemaakt voor de duivel. Op mijn 14de ging ik, heel stoer, met mijn vrienden naar The Exorcist. Daar ben ik lange tijd vreselijk bang van geweest.
‘Toen ik ouder werd, ging ik denken: hoe is dat mogelijk, want je wéét dat het niet echt is. Het gold niet alleen voor mij, na Jaws bleven veel mensen langdurig bang om de zee in te gaan, na Psycho kocht iedereen ineens doorzichtige douchegordijnen.’
U promoveerde cum laude op de invloed van televisie op de fantasie en creativiteit van kinderen. Toch kon u daarna als onderzoeker nergens werk vinden, vertelde uw man (emeritus hoogleraar internationaal arbeidsrecht, Paul van der Heijden). Hoe kwam dat?
‘Níémand was geïnteresseerd in dat onderzoek. In die tijd werd binnen de wetenschap alles met kinderen als minder serieus gezien. Dat hoor ik om me heen ook over jeugdrecht en van kinderartsen. Bij de Universiteit van Amsterdam kon ik alleen als uitzendkracht een baan krijgen en dan als docent, niet als onderzoeker.
‘Gelukkig werd ik gered door de NWO (de belangrijkste financier van wetenschappelijk onderzoek in Nederland, red.). Die gaven me een beurs, waardoor ik verder kon met mijn onderzoek. Daarna volgden er meer.’
Een van uw eerste onderzoeken ging over Teletubbies. Daarmee ontkrachtte u maatschappelijke zorgen over tv voor baby’s, zoals dat het slecht zou zijn voor hun fantasie. Hoe kwam u tot die conclusie?
‘Met een van mijn studenten heb ik zestig baby’s en peuters thuis geobserveerd terwijl ze naar Sesamstraat en Teletubbies keken. Sesamstraat was te moeilijk voor ze, maar zodra ze de teletubbies zagen, begonnen ze te kraaien en te lachen.
‘Dat was zo ontwapenend dat ik dacht: hoe kun je daar zo fel tegen zijn? Waarom zou je het heel kleine kinderen niet gunnen om een paar keer per week 20 minuten te kijken naar iets dat zoveel plezier geeft?’
Het is de rode draad in Valkenburgs werk: telkens komen er nieuwe media op en volgt er maatschappelijke onrust. Vreesde men eind jaren negentig dat kinderen concentratieproblemen kregen van Teletubbies, nu bestaat dezelfde angst over sociale media.
De aanname is altijd dat het effect van media direct is en vooral negatief. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Het idee dat media bepaalde gedachten als een soort injectienaald bij de massa inspuiten, stamt uit het interbellum, toen propaganda en massamedia opkwamen. Maar zo eenvoudig ligt het niet.
‘In mijn onderzoek zag ik steeds terug dat de invloed van media sterk afhangt van individuele omstandigheden. Als een kind opgroeit in armoede, met ouders met mentale problemen, of zelf bepaalde ontwikkelingsproblemen heeft, is het vatbaarder voor schadelijke invloeden.
‘Hoewel sociale media heel anders zijn dan tv, blijven de effecten op mentale gezondheid, zelfvertrouwen, agressie en angst statistisch gezien klein als je naar een grote groep kijkt. De vraag is: moet je een klein effect direct serieus nemen, of zeggen: de invloed is beperkt?’
U vond lange tijd dat laatste.
‘Ja, aanvankelijk was ik voorstander van sociale media, maar dan heb ik het over het begin van het millennium. MSN, Sugababes, Hyves. Het was interactief, een leuke manier om vriendschappen te onderhouden en jezelf uit te drukken.
‘Ik voelde meteen: dit wordt groot, hoewel ik nog niet eens wist hoe ik deze websites moest omschrijven. Toen ik mijn eerste Engelse publicatie daarover afrondde, bestond de term sociale media nog niet. Ik noemde ze uiteindelijk maar ‘friend networking sites’. In die tijd wáren sociale media ook nog vrij onschuldig.’
Door het openstaande raam golft op dat moment het geloei van het maandelijkse luchtalarm de kamer in. De telefoons van de interviewers stoten een doordringend gekerm uit. Een bombastisch omen waar Valkenburg – op dreef – dwars doorheen praat.
Ze vertelt over het kantelpunt in haar onderzoek. Zeven jaar geleden deed ze met een groep collega’s iets wat wetenschappers niet eerder gedaan hadden: ze volgden intensief het onlineleven van 387 middelbare scholieren.
Valkenburg: ‘Dankzij technologische ontwikkelingen werd het mogelijk om bij een kleinere groep jongeren voor langere tijd op hun telefoons mee te kijken. Via een app konden we ze, nadat ze bijvoorbeeld op Instagram hadden gekeken, vragen hoe ze zich op dat moment voelden.
‘Dat was een belangrijke stap: onderzoek naar sociale media gebeurde tot die tijd vaak met vragenlijsten op één moment, het volgde jongeren niet door de tijd heen. Uit die onderzoeken bleek de invloed, het effect, van media steeds klein.
‘Wij ontdekten dat de invloed voor de groep weliswaar klein is, maar dat voor sommige jongeren het effect wél groot is. We zagen dat 10 procent van de jongeren echt last heeft van hun socialemediagebruik: ze worden er somber of gestrest van. Als je dat omrekent, heb je het in Nederland over 200 duizend jonge mensen. Dat vind ik serieus.’
Omgekeerd blijkt uit uw onderzoek ook dat 10 procent van de jongeren positieve effecten ervaart.
‘Dat klopt, die groep is er ook. Zij worden er blij van en merken dat sociale media een positief effect hebben op hun vriendschappen. Maar als ik nu een afweging maak, zou ik zeggen dat de potentiële negatieve effecten van sociale media de positieve overschaduwen.
‘Het is gewoon te véél. Voor ons volgende onderzoek namen we ook diepte-interviews af met vierhonderd middelbare scholieren, waarbij ze me hun schermtijd via een videoverbinding lieten zien. Ik schrok me rot. Sommigen halen 14 uur per dag. De eerste Nederlandse profielsites hadden een einde, maar nu die zijn vervangen door Amerikaanse big tech stopt het niet meer.
‘Sociale media zijn hun onschuld verloren. Algoritmen spelen in op specifieke onzekerheden, dat maakt ze oneerlijk. Ze ondermijnen onze autonomie.’
Op welke manier?
‘Een tijd geleden werd ik door een van jullie gebeld voor een verhaal over sociale media en anorexia. Ik ben toen op TikTok gaan kijken wat voor filmpjes daar voorbijkwamen. Daarna werd ik wekenlang bestookt met broodmagere meisjes die naast hun ziekenhuisbed staan te dansen, de sondevoedingsslangetjes nog in hun neus.
‘Na het lezen van jullie onderzoeksverhaal naar de manosfeer logde ik met een blanco account in op TikTok, ik was benieuwd wat ik zou zien. Binnen de eerste tien video’s zag ik er eentje over de manosfeer. Je gaat er niet naar op zoek, het komt vanzelf je kant op. Als individu ben je daar niet tegen opgewassen.’
Toch zei u net dat de onderliggende psychologische effecten nu niet anders zijn dan vroeger.
‘De mate waarin iemand negatieve media-effecten ervaart, is net als voorheen afhankelijk van individuele omstandigheden. Maar die omstandigheden veranderen wél. Of een kind een kwartiertje per dag naar tv kijkt of uren achter elkaar naar YouTube, maakt natuurlijk uit. Net zoals de mentale weerbaarheid van het kind, de relaties die het op school en thuis heeft en een heleboel andere factoren.
‘Wat door de jaren wel hetzelfde is gebleven, is de neiging om media de schuld te geven van zorgelijke ontwikkelingen in de maatschappij. Dat gebeurde bijvoorbeeld met de opkomst van school shootings in de Verenigde Staten, toen gewelddadige films en schietspellen als oorzaak werden aangewezen.’
Nu wordt er gewezen naar sociale media als boosdoener: dat zou de verklaring zijn van de verslechterde mentale gezondheid van jongeren. Dat gebeurt ook door wetenschappers als de Amerikaan Jonathan Haidt.
‘Ik heb me verdiept in die kwestie, op verzoek van Unicef. Mijn conclusie was dat er meer meespeelt. Allereerst blijkt uit onderzoek dat de toename van mentale problemen onder jongeren in Nederland al zeker in de jaren tachtig begon.
‘Bovendien zijn we mentale problemen veel breder gaan definiëren en er veel meer over gaan praten. Dit leidt onbedoeld tot een stijging in het aantal zelfgerapporteerde klachten.
‘Dat neemt niet weg dat het aantal jonge mensen met mentale klachten wel degelijk is toegenomen, maar dat geldt ook voor hun ouders. En dat heeft weer een weerslag op de opvoeding en mentale weerbaarheid van hun kinderen.
‘Nog zoiets: kinderen spelen vanaf de jaren tachtig steeds minder buiten en staan onder steeds strenger toezicht. Juist tijdens vrij spel leren kinderen voor zichzelf opkomen, compromissen sluiten en omgaan met kleine teleurstellingen. Een gezonde dosis milde stress in de kindertijd vormt de biologische en psychologische basis voor veerkracht in het latere leven.’
Bent u tegen het voornemen van het kabinet en Europa om sociale media tot 15 jaar te verbieden?
‘Ik zie het als een wanhoopsdaad van de Europese Commissie. Ik denk dat ze bang zijn dat alle landen hun eigen regels gaan bedenken. De Europese Commissie vindt terecht dat er een eind aan de tijdlijn moet zitten, dat eindeloze scrollen in zo’n gepersonaliseerde feed, maar daar verzetten techbedrijven zich fel tegen omdat het hun businessmodel ondermijnt.
‘Wetgeving blust de branden van gisteren, maar dat geldt in steeds sterkere mate ook voor de wetenschap. Het gat tussen technologie en het onderzoek daarnaar wordt steeds groter.’
Hoe komt dat?
‘Technologische ontwikkelingen gaan steeds sneller, terwijl wetenschappers nu veel meer moeten doen op het gebied van privacy en ethische toetsing. Als ik terugdenk aan hoe ik dat dertig jaar geleden deed, is dat onvergelijkbaar. Nu zijn we vaak maanden tot een vol jaar bezig om een onderzoek voor te bereiden.’
Tegelijkertijd is uw vakgebied groter en relevanter dan ooit. Vindt u het jammer dat u geen onderzoek meer doet?
‘Nee.’
Valkenburg klapt glunderend haar laptop open. Ze laat een lange reeks boeken zien die ze de laatste tijd gelezen heeft, allemaal over het schrijven van een roman: How to Write a Damn Good Novel, Stein On Writing, Structuring your Novel, Writing Vivid Dialogue.
‘Ik ben me aan het bekwamen in het ambacht van roman schrijven. Dertig jaar lang heb ik wetenschappelijke verhalen geschreven, ze gingen weliswaar over mensen maar van buitenaf. Nu wil ik verhalen vertellen die de wetenschap nooit kan vertellen, van binnenuit.’
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant