Home

Ze had direct naar haar broer moeten gaan, maar was er te boos voor. Daarvan heeft ze nu veel spijt

De broer van Carolien had een goede baan, leuke kinderen, een mooi huis. Toch ging het niet goed met hem. Toen hij haar vroeg langs te komen, ging ze niet. ‘Ik had dat vriendelijke gezicht voor hem moeten zijn.’ In deze serie spreekt Barbara van Beukering mensen die spijt hebben van een beslissing.

Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.

Carolien (59, medewerker marketing en communicatie):

‘Mijn broer Pieter was een heel gesloten kind. Met de kennis van nu zou ik zeggen dat hij een vorm van autisme had, maar zulke diagnoses werden nog niet gesteld. Hij is in 1969 geboren, tweeënhalf jaar na mij. We hadden een prima jeugd; met de tent naar Frankrijk, een kalm gezin. Hij en ik hadden een goede verstandhouding, maar geen intensieve band omdat ik veel expressiever en opener ben. Hij zat uren in zijn eigen wereldje te tekenen, dat kon hij ook heel goed. Hij tekende gedetailleerde stripverhalen. Ik herinner me dat hij alleen maar pindakaas lustte. Ik zie nog voor me hoe mijn moeder, als we op vakantie in een restaurant aten, haar handtas op tafel zette waaruit ze de pot pindakaas voor mijn broertje haalde.

‘Rond zijn 30ste trouwde mijn broer en kregen ze twee kinderen, iets wat hij heel graag wilde. Hij werkte als toxicoloog bij de arbeidsinspectie. Hij moest beoordelen of de werknemers blootgesteld werden aan gevaarlijke chemische stoffen. Een controlerende functie met veel regels en procedures, een baan die hem paste als een oude jas. Het gezinsleven met jonge kinderen verhield zich minder goed tot zijn grote behoefte aan rust en orde. Hij hield zielsveel van zijn kinderen, dat staat buiten kijf, maar het gezinsleven kostte hem ook veel energie. Als hij na een drukke werkdag in de auto stapte, voelde hij onderweg de stress al opkomen over wat hij thuis zou aantreffen. Op zondag sloot hij zich op in de veilige omgeving van zijn werkkamer, dat was ingewikkeld voor zijn gezin.

Gesloten psychiatrische afdeling

‘In 2009, toen Pieter 40 was, ontdekte iemand dat hij op zijn computer informatie had opgezocht hoe hij een einde aan zijn leven kon maken. Hij werd acuut opgenomen op de gesloten psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. De veters moesten uit zijn schoenen. Het werd snel duidelijk dat hij al langer depressief was, wat hij voor iedereen verborgen had gehouden. Alleen zijn vrouw wist het, maar dat mocht ze van hem met niemand delen.

Denk je aan zelfdoding? Neem dan 24/7 gratis en anoniem contact op met 0800-0113 of chat op 113.nl

‘Nu hij opgenomen was, kende iedereen zijn geheim. Ik dacht dat dat gunstig zou zijn voor zijn herstel, nu kon hij eindelijk worden geholpen. Niets was minder waar. Hij voelde zich ontmaskerd, kwetsbaar en schaamde zich vreselijk. Nadat hij na een maand of drie uit het ziekenhuis werd ontslagen, ging het eigenlijk alleen maar slechter met hem. Hij kreeg ook last van smetvrees, wat nogal lastig was met kleine kinderen.

‘Drie jaar later waren we in april op de verjaardag van zijn oudste zoon. Pieter was enorm gestrest, bozig ook. Ik weet nog dat ik op dat moment dacht: ‘Jemig man, doe toch eens een beetje rustig, je zoon is jarig. Zet je slechte humeur even aan de kant.’ Later bedacht ik me dat ik hem even apart had moeten nemen om te vragen wat er aan de hand was. Hij was helemaal niet zichzelf.

‘Op Moederdag zouden ze met het gezin naar mijn ouders gaan. Onderweg kregen mijn broer en zijn vrouw ruzie, waardoor ze halverwege omdraaiden en terug zijn gereden naar huis. Nadat hij zijn gezin had afgezet, is Pieter weer vertrokken. Zonder telefoon, zonder portemonnee, zonder iets. Mijn ouders zaten ongerust te wachten, niemand wist waar hij was. ’s Avonds is hij gevonden. Hij is zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht waar mijn ouders hem meteen opzochten. Ze waren kapot van verdriet.

Een vriendelijk gezicht

‘Na een paar dagen ontving ik een mail van Pieter, gericht aan mij en een paar vrienden. Hij schreef dat hij zich heel rot voelde en vroeg of we bij hem op bezoek wilden komen: hij kon wel een vriendelijk gezicht gebruiken. Ik heb geantwoord: ‘Na wat jij hebt gedaan, kan ik dat even niet opbrengen.’ Ik voelde een enorme loyaliteit tegenover mijn ouders, hoe had hij hen dit kunnen aandoen? Voor zijn gezin vond ik het ook afschuwelijk. Hij had prachtige kinderen, een uitstekende baan, een mooi huis; hij had álles. Hoe had hij het zo ver kunnen laten komen? Ik was gewoon boos. En verdrietig. En ook bang, want ik vond het een hele nare daad.

‘Twaalf dagen later werd ik op zaterdagmorgen om half 8 gebeld door mijn vader: ‘Het is gebeurd, hij heeft het toch gedaan.’ De dag voor Pinksteren heeft mijn broer zelfmoord gepleegd, in het ziekenhuis. Ik ben meteen naar mijn ouders gehold, ze woonden twee minuten bij mij vandaan. Ze waren compleet verslagen. Het eerste wat mijn moeder zei: ‘Het leven wordt nooit meer leuk.’ Vanaf dat moment was ik enig kind van getraumatiseerde ouders. Ze vertelden dat Pieter een afscheidsbrief had achtergelaten. Die wilden ze niet delen, ook niet met hun schoondochter en kleinzoons. Die brief was voor hen, zeiden ze. Later vertelde mijn vader dat hij de brief had verscheurd.

‘Toen mijn ouders jaren later kort na elkaar overleden, moest ik hun huis leeghalen. Terwijl ik er niet op bedacht was, had ik opeens een bruine envelop in mijn handen waar niets op stond. Ik haalde de inhoud eruit en schrok: het handschrift van mijn broer. Ik pakte de A4’tjes eruit, het waren zeven kantjes, helemaal volgeschreven. Enorme hanenpoten. Hij heeft dat in zijn laatste tien minuten gedaan, vermoed ik. De demonen in zijn hoofd hadden gewonnen, schreef hij, demonen die hij al zijn hele leven had. Er klonk veel boosheid en wrok in door. En er stond ook heel duidelijk in, meerdere keren, hoeveel hij van zijn kinderen hield. Zijn naam stond er niet onder. Een heel emotioneel document. Ik vond het heel zielig en aangrijpend dat hij zo’n groot deel van zijn leven in een eenzame strijd was verwikkeld. En dat hij dat ook nog zo angstvallig probeerde te verbergen voor de buitenwereld. Wat moet dat een energie en aanpassingsvermogen hebben gekost.

‘Hoewel ik al sinds zijn eerste opname wist dat hij depressief was, realiseerde ik me toen pas ten volle hóé ziek hij was geweest. En eenzaam. Ik had na zijn mailtje over mijn eigen schaduw heen moeten stappen, daar heb ik ontzettend veel spijt van. Natuurlijk had ik naar hem toe moeten gaan. Ik maak me geen illusie dat ik hem ervan had kunnen weerhouden, daarvoor was hij al te ziek. Maar als ik bij hem langs was gegaan, had ik een beeld hoe hij eraan toe was. Ik heb nooit geweten hoe wanhopig hij was, de laatste keer dat ik hem levend zag, was zes weken daarvoor op de verjaardag van zijn zoon.

‘Ik had dat vriendelijke gezicht voor hem moeten zijn. Misschien had ik, voor een kort moment, zijn eenzaamheid kunnen wegnemen. Ik ging niet omdat ik geen idee had wat ik zou moeten zeggen. Terwijl ik nu weet dat je je daar van tevoren niet druk om hoeft te maken. Al zeg je niks en houd je alleen iemands hand vast. Ik vond het ook eng, was bang wat ik zou aantreffen omdat hij het op een akelige manier had proberen te doen. Ik heb hiervan geleerd dat je soms iets moet doen wat je heel eng vindt. Ik denk vaak aan een zin uit een liedje van Daniël Lohues: ‘Angst is maar voor even, spijt is voor altijd’.’

Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next