In discussies over defensie en herbewapening ontbreekt vaak de menselijke werkelijkheid van oorlog: de families van de mannen die op een dag mogelijk worden opgeroepen om te vechten. Schrijver Sergey Maidukov over hoe onzekerheid en verlies in Oekraïne eruitzien.
Op 10 juni onthulde een onderzoek van de Deense omroep DR dat Rusland zijn militaire aanwezigheid nabij de grenzen met Finland, Noorwegen en de Baltische staten aan het uitbreiden was. Een dag later bevestigde The Telegraph dit met behulp van geolokaliseerde satellietbeelden.
Werkelijk verrassend was dat niet. Navo-inlichtingendiensten en militaire commandanten waarschuwen al geruime tijd voor de grote kans op een Russische aanval, terwijl de Europese Unie haar defensieve capaciteiten nog steeds aan het opbouwen is. Generaals en analisten zijn het erover eens dat een invasie al tussen 2027 en 2030 zou kunnen plaatsvinden, terwijl Europa’s herbewapening de belangrijkste tekortkomingen waarschijnlijk pas rond 2035 zal hebben weggewerkt.
Maar het probleem is niet eens de tijdlijn. Het is veel ernstiger dan dat. Oorlog draait niet alleen om geld, wapens, industrie en logistiek. Oorlog draait ook om de mensen die de wapens moeten opnemen en naar de plekken moeten gaan waar de pijlen op de strategische kaarten van generaals naartoe wijzen.
Meestal zijn dat mannen. Iemands zonen, echtgenoten, broers en vaders. Zijn hun families daarop voorbereid? Zijn zijzelf daarop voorbereid?
Over de auteur
Sergey Maidukov is schrijver. Hij woont in Kyiv.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Volgens een peiling van Gallup International zegt slechts 32 procent van de inwoners van de Europese Unie bereid te zijn voor hun land te vechten. In Nederland, een van de minst strijdvaardige landen van Europa, ligt dat percentage nog veel lager. Maar hoe nauwkeurig weerspiegelen zulke cijfers de werkelijkheid? Opmerkelijk genoeg bleek uit een onderzoek van de Oekraïense sociologische groep Rating in december 2021 dat eveneens slechts ongeveer een derde van de mannen bereid was gewapend verzet te bieden in het geval van een Russische invasie.
De oorlog vernietigde die cijfers. Twee maanden later stonden Oekraïners in de rij bij rekruteringskantoren en uitgiftepunten voor wapens. Hoeveel van hen zijn viereneenhalf jaar later nog in leven? De exacte aantallen zijn geheim, maar de omvang van de verliezen is zichtbaar op het beroemde Onafhankelijkheidsplein in Kyiv, dat is veranderd in een soort gedenkplaats voor gesneuvelde soldaten. Nationale vlaggen wapperen er in de wind en daaronder staan duizenden kleine blauw-gele vlaggetjes in de grond geplant – één voor elk leven dat voor Oekraïne werd gegeven.
Veel van deze symbolische graven zijn voorzien van foto’s van soldaten: jong en oud, glimlachend of ernstig, in uniform of in burgerkleding. Mijn neef Slavik staat daar niet, en waarschijnlijk zal hij daar ook nooit verschijnen.
Hij werd vorige zomer voor het laatst gezien, toen zijn eenheid onder Russisch mortiervuur kwam te liggen. Hij verloor een been en kon niet wegkruipen zoals zijn gewonde kameraad. Die soldaat vertelde later dat hij Slavik had achtergelaten terwijl hij probeerde een tourniquet om zijn been aan te brengen. Niemand wist of het hem gelukt was. Hij verdween eenvoudigweg, alsof hij nooit had bestaan.
Hij liet drie dochters achter – opnieuw een Oekraïense vader die door de oorlog is weggenomen. Tegenwoordig is Oekraïne een plek waar niemand weet wanneer zijn beurt zal komen.
Mijn vriend Serhiy, een enorme blonde man van ongeveer vijfenveertig jaar, runde tot afgelopen winter een klein café en voedde zijn jonge zoon op. Op een dag zag ik zijn vrouw en zoon alleen lopen en vroeg waar Serhiy was.
‘Daar’, antwoordde ze, terwijl ze in de verte keek. Elke Oekraïner begrijpt meteen wat ze bedoelt.
Ze vertelde me dat Serhiy belt wanneer hij kan en altijd probeert opgewekt te klinken. Het grootste probleem van de oorlog, zegt hij, is zijn lengte en postuur. Met bijna twee meter lengte klaagt hij dat het leger geen bed kan vinden dat lang genoeg voor hem is.
‘Hij liegt tegen me’, zei ze. ‘Wat voor bedden zouden daar moeten zijn? Ik weet dat hij ergens in een loopgraaf aan het front zit. Als we praten, hoor ik geweervuur en explosies.’
Haar zoon luisterde zwijgend mee – een grote jongen met gouden krullen en grijze ogen, een kleine versie van zijn vader. Zouden ze elkaar ooit terugzien?
Een andere vriend is al die jaren in Kyiv gebleven. Gespaard van het front, maar niet van de oorlog. Ook hij is midden veertig. Hij en zijn jonge vrouw hebben een dochtertje van tien maanden oud, zo betoverend als baby’s van die leeftijd meestal zijn.
Onlangs maakte ik een wandeling met hem. Hij droeg zijn dochter op de arm terwijl ik een lege kinderwagen voortduwde. We voerden een van onze gebruikelijke gesprekken van man tot man toen hij me plotseling vertelde dat zijn vrouw en dochter de week daarop Oekraïne zouden verlaten.
‘Het heeft veel discussies gekost, maar uiteindelijk heb ik haar overtuigd’, zei hij. ‘De veiligheid van onze baby komt op de eerste plaats. Je ziet zelf wat eraan komt. Er komt geen einde aan deze oorlog. Ik wil dat zij veilig zijn.’
Weer wordt een Oekraïens gezin uit elkaar gerukt. Weer zal een vader zijn kind alleen nog via een beeldscherm kunnen zien, in plaats van het vast te houden, haar haren te ruiken en te luisteren naar het zachte, regelmatige kloppen van haar kleine hart.
Zoals mijn zoon, wiens dochter zich duizenden kilometers verderop bevindt. Zoals miljoenen andere mannen: degenen die vechten, degenen die gewond zijn geraakt en degenen die thuis wachten op een oproep. Hun lot verschilt, maar één ding hebben zij gemeen: de oorlog en de manier waarop die alles uiteenrijt.
Mijn neef Slavik werd bijna twee jaar na zijn verdwijning, te midden van chaos en explosies, teruggevonden. Zijn moeder schreef mij hierover: ‘Ze hebben gemeld dat Slaviks lichaam is geïdentificeerd. De begrafenis zal pas over ten minste tien dagen plaatsvinden. Op 25 juni zou hij vijftig zijn geworden.’
De pijn achter deze droge woorden was zo intens dat ik haar door het scherm heen kon voelen. Ik belde mijn tante en luisterde terwijl zij het verhaal vertelde met een bijna monotone stem. Ze had zich zo lang op dit moment voorbereid dat ze volledig opgebrand was. Geen emoties. Geen tranen.
Ze vertelde dat Slavik op een dag gewoon van huis was vertrokken en later vanuit het rekruteringsbureau had gebeld. Hij werd op zijn allereerste dag aan het front gedood – waarschijnlijk kreeg hij niet eens de kans om één schot op de Russen af te vuren. Maar hij had zijn keuze gemaakt en bleef die trouw tot het einde.
Oorlog sluipt langzaam dichterbij en breekt vervolgens plotseling door miljoenen deuren tegelijk. Tot dat moment blijft alles onzeker. En tijd is het enige waarvan wij zeker weten dat we het nog bezitten.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant