Home

Alles, werkelijk alles, zelfs een middelvinger was beter geweest dan wat ik deed

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Later die avond zou het onweer stil boven de stad hangen, uren achter elkaar. Dikke druppels zouden op de straten kletteren. Eerst voorzichtig en daarna vol overtuiging en zonder pauze. De kroegen zouden vol zitten met mensen met natte haren die naar buiten tuurden, door de gracht zou een bootje varen met halfnaakte mannen die zichzelf filmden. En ondanks die voortdurende regen zou het broeierig blijven. De lucht geladen met spanning en ontspanning, vrijheid en beknelling, seks en ruzie.

Dat was allemaal nog ver weg toen ik over de dijk van Spaarndam fietste, de zon brandend op mijn armen en voorhoofd, de elektrische motor van mijn fiets in maximale ondersteuning. Coming Around Again van Carly Simon op mijn koptelefoon, meezingen met weerzinwekkende falsetto. Het leven was goed.

Aan de overkant van de straat zag ik een man lopen. Ik had hem al eerder gezien hier, een opvallende verschijning. Kop kleiner dan ik, breedgeschouderd en zijn lijf in een trotse, rechte houding. Hij had een Zuidoost-Aziatisch voorkomen met een imposante grijze baard en lang, dik grijszwart haar in een knot op zijn achterhoofd. Hij liep met kalme tred, zijn benen iets krom, borst vooruit, alsof hij de eigenaar van het dorp was.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Carly Simon zong dat ik de kruidenier betaal en de broodrooster repareer. Maar ik had alleen maar oog voor het T-shirt dat de man aan de overkant van de straat droeg. Er stond een grote W op, in de kleur van bloedsinaasappel. En daaronder de tekst ‘36 chambers’.

Je hebt Abbey Road van The Beatles, Exile On Main Street van The Rolling Stones en dan heb je Enter The Wu-Tang (36 Chambers) van The Wu-Tang Clan. Terwijl ik de man voorbijfietste wees ik op zijn T-shirt. ‘Goed shirt’, schreeuwde ik naar de overkant van de straat. Ik was hem al voorbij toen hij opkeek, lachte en ‘dank je’ leek te zeggen.

Het was zo’n heerlijk moment waarop twee volstrekt onbekenden elkaar vinden in een gezamenlijke liefde. Een flits van verbondenheid, kort maar voldoende. Achteraf bedacht ik welk gebaar ik had moeten maken toen ik omkeek en onze blikken elkaar kruisten. Idealiter het Wu-Tang-gebaar, waarbij je een W maakt door de duimen van je handen elkaar te laten kruisen en de rest van je vingers tegen elkaar te houden. Een opgestoken duim was ook prima geweest.

Alles – werkelijk alles, zelfs een middelvinger – was beter geweest dan wat ik deed, namelijk mijn duim- en wijsvinger tegen elkaar zetten. Dat betekende ooit ‘dikke prima’. Maar tegenwoordig betekent het vooral: white power. Waarom, dacht ik terwijl ik als een gek begon te trappen, kan nou nooit iets gewoon helemaal goed gaan bij me?

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next