Home

Wat ik Sofiá na tweeëndertig jaar niet vertelde

is psychiater en schrijver.

Ik stond plotseling oog in oog met een vrouw die ik in geen eeuwigheid had gezien. We bleven elkaar even stilletjes aankijken. Onze blikken vertelden zoveel dat woorden op dat moment overbodig leken. We glimlachten, lachten en omhelsden elkaar. De rest van de avond zaten we naast elkaar; we raakten niet uitgepraat, stelden vragen en onderbraken elkaar voortdurend. Oude grapjes, die ik al die jaren met niemand anders had gedeeld, kwamen zomaar weer boven en wurmden zich door de harde muziek heen, terwijl we elkaar schreeuwend in de oren vertelden wat er in tweeëndertig jaar van onze levens terecht was gekomen.

Ja, volgens de klok waren er tweeëndertig jaar verstreken sinds onze laatste ontmoeting. Maar de klok deed er niet toe. Hij had zijn gezag verloren. Hij was gesmolten en stil blijven liggen in het landschap van onze herinneringen.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Sofiá was uit Amerika naar Nederland gereisd. Sinds een aantal jaren organiseren Afghaanse artsen in Europa een jaarlijkse reünie, altijd op de zaterdag van het pinksterweekend en telkens in een ander Europees land. Er komen drie- tot vierhonderd mensen op af, soms ook uit Canada en de Verenigde Staten. Wat ons samenbrengt, is meer dan een gedeelde afkomst of een geschiedenis van ontheemding. Het zijn de herinneringen aan de collegezalen van de faculteit geneeskunde in Kabul: een gebouw dat daar inmiddels meerdere keren is verwoest en herbouwd, maar in ons geheugen precies hetzelfde is gebleven als toen wij er als jongvolwassenen trots door de gangen liepen.

We koesteren die herinneringen als een kostbaar erfstuk, alsof zij de sterkste draad vormen die ons nog verbindt met een tastbaar verleden. Een verleden dat ons eraan herinnert dat wij uit iets betekenisvols zijn voortgekomen.

Sofiá en ik begonnen samen aan de studie geneeskunde toen we nog zestien waren. We waren briljant, trots en vol dromen. Zoals veel jongeren achtten we onszelf onkwetsbaar, ook al vormde oorlog al vanaf onze kindertijd het vaste decor van ons leven. We trokken jarenlang intensief met elkaar op. Halverwege onze studie brak de burgeroorlog uit in Kabul. In die tijd kregen Sofiá en ik ruzie over iets banaals. We praatten niet meer met elkaar toen we als kraaltjes van een geknapte ketting alle kanten oprolden. Voordat we het goed konden maken, verloren we elkaar uit het oog. Zoals ik in die jaren zovelen uit het oog verloor.

Sofiá bleef nog lang in Afghanistan. Ze werd gynaecoloog in Kabul en verrichtte, samen met buikchirurgen, operaties die zij beschreef alsof er een aanslag had plaatsgevonden in het lichaam van de vrouwen die vanuit afgelegen provincies naar de hoofdstad waren gebracht. Ze publiceerde over haar werk in internationale tijdschriften en ontving er zelfs een prijs voor. Terwijl ik mijn leven in Nederland opbouwde, had zij een andere geschiedenis geleefd. Pas acht jaar geleden gaf ook zij zich gewonnen en vertrok met haar gezin naar de Verenigde Staten.

Wat ik Sofiá die avond niet vertelde, was dat die onbenullige ruzie jarenlang in mij was blijven voortleven. Ik vertelde haar niet dat ik haar decennialang in mijn dromen was blijven opzoeken om sorry te zeggen en fatsoenlijk afscheid te nemen. Dat ik in die dromen door de straten van Kabul dwaalde, op zoek naar een huis dat ik niet meer kon vinden.

Het bleek allemaal niet nodig. Toen onze blikken elkaar kruisten, zeiden ze alles: er was geen verwijt. Net als twee jeugdigen die ruzie hebben, elkaar opeens aankijken, in lachen uitbarsten en weer gewoon doen. De meiden van toen hadden dat ter plekke besloten. Ze trokken zich niets aan van de vrouwen die we inmiddels waren geworden, of van alles wat we zonder elkaar hadden beleefd en wat ons had gevormd. In haar hoorde ik dezelfde stem en herkende ik hetzelfde vertrouwde doen en laten.

Die avond, in die feestzaal in Beverwijk, kreeg ik een tweede kans om een afgebroken verhaal alsnog af te maken. Om een scherpe scherf rond te slijpen tot een juweeltje dat nu prachtig past tussen de andere stenen en kralen van de geschiedenis die ik in me draag.

Na tweeëndertig jaar! De klok meet de tijd die voorbijgaat, maar herinneringen bewaren wat om voltooiing vraagt. Wij mensen zijn geobsedeerd door de tikkende tijd, terwijl het uiteindelijk de herinnering is die telt. Misschien is dat wel wat Salvador Dalí werkelijk bedoelde met ‘De volharding der herinnering’.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next