Naar verwachting wordt de pensioenleeftijd in Duitsland per decennium met een half jaar verhoogd. De mogelijkheden om vervroegd met pensioen te gaan worden beperkt.
is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over de EU en internationale samenwerking. Hij woont in Berlijn.
Dinsdag presenteerde een commissie van experts en politici een plan voor een ingrijpende hervorming van het pensioenstelsel. De christendemocratische bondskanselier Friedrich Merz en de sociaaldemocratische minister van Arbeid Bärbel Bas zeiden de voorstellen te zullen overnemen.
Op dit moment is de wettelijke pensioenleeftijd 66 jaar en 2 maanden, voor de jaargang 1959. Al eerder was besloten om die leeftijd stapsgewijs te verhogen, totdat de jaargang 1964 in 2031 op 67-jarige leeftijd kan stoppen. De regering wil de pensioenleeftijd nu ook na 2031 blijven verhogen. Van elk jaar dat de levensverwachting stijgt, moet acht maanden langer worden doorgewerkt. Volgens de huidige demografische prognoses betekent dit een verhoging van een half jaar per decennium. Tegenstanders schermen met een schrikbeeld van een pensioen op 70-jarige leeftijd, maar dat punt zal pas in 2090 worden bereikt.
De betaalbaarheid van de pensioenen is een probleem voor Duitsland. Aan het begin van de eeuw stonden er ruim drie werknemers tegenover elke gepensioneerde, in 2040 zullen dat er ruim twee zijn. Door de vergrijzing moeten werknemers een steeds grotere groep gepensioneerden onderhouden, die ook nog eens steeds langer leven.
De pensioenhervorming is een van de grote dossiers voor kanselier Merz, die door zijn achterban wordt verweten dat hij veel te weinig doet om de kwakkelende Duitse economie weer aan de praat te krijgen. Hij beloofde vorig jaar een ‘herfst van hervormingen’, waarvan niets terechtkwam. De herziening van het pensioenstelsel schoof hij door naar de zomer.
Vooral de Junge Union, een groep van christendemocraten tot 35 jaar, was destijds zeer ontevreden. Maar als Merz de pensioenplannen overneemt, heeft hij zich gerevancheerd, vond Bondsdaglid Johannes Winckel, voorman van de Junge Union. Hij vergeleek Merz met Deniz Undav, de Duitse aanvaller die in de wedstrijd tegen Ivoorkust een 1-0 achterstand omboog in een late 2-1 overwinning.
Een belangrijk onderdeel van de plannen is de invoering van een kapitaaldekkingsstelsel. Op dit moment worden de Duitse pensioenen betaald via een omslagstelsel: de huidige werkenden betalen de pensioenen van de werknemers die gestopt zijn. De regering wil dit stelsel aanvullen met een kapitaaldekkingsstelsel, dat in Zweden in 1998 werd ingevoerd en in Nederland al veel langer bestaat. Werknemers en werkgevers moeten ieder verplicht 1 procent van het bruto loon storten in een door de staat beheerd spaarfonds voor de oude dag. Hierdoor worden de pensioenen op termijn beter betaalbaar.
Werkgevers maakten bezwaar tegen deze extra premie, die de toch al hoge loonkosten in Duitsland verder opdrijft. Sparen voor de oude dag moet vrijwillig en particulier gebeuren, vond werkgeversvoorman Rainer Dulger.
De vakbonden bekritiseerden de verhoging van de pensioenleeftijd en vooral de afschaffing van de mogelijkheid om op 63-jarige leeftijd te stoppen met werken. In de media overheerste niettemin een positieve teneur: eindelijk komt Merz met een fundamentele ingreep voor een van de grote problemen waarmee de Duitse economie worstelt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant