van de Goor is huisarts.
In september 2008 stierf de Palestijnse Nadia Abuelaish aan acute leukemie. Ze liet haar man Izzeldin met acht kinderen achter, de jongste pas zes jaar oud. Naast de zorg voor hen werkte hij als gynaecoloog in een Israëlisch ziekenhuis en zette hij zich in voor vrede. Vier maanden na Nadia’s overlijden haalde Izzeldin het wereldnieuws. Ik herinner me dat nog goed: een man die huilend een Israëlische vriend belde die live op televisie was, terwijl de hele wereld meeluisterde. Een tankgranaat had zijn huis geraakt en drie dochters en een nichtje gedood.
Hoe kun je na zoveel verdriet verder?
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Izzeldin bleef zich inzetten voor vrede tussen Israël en Palestina en werd drie keer genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. Hij schreef er een boek over: Ik zal niet haten. Ik begon daar met enige argwaan aan, bang voor een heldenepos, maar Izzeldin schrijft over verdriet, wanhoop en woede, over momenten waarop hij thuis uit zijn vel springt. Tegelijk besluit hij zijn woede niet tot haat te laten verharden. Niet alleen op papier. Ook na de dood van zijn dochters bleef hij werken in een Israëlisch ziekenhuis, met Israëlische collega’s, voor Israëlische en Palestijnse patiënten.
Een vriend schrijft in het voorwoord over Izzeldin: ‘Hij generaliseert niet zoals de meesten van ons.’ Als een Israëlische soldaat hem kwaad doet, wordt dat niet meteen ‘deze Israëliër is een slecht mens’ of ‘alle Israëliërs zijn slecht’. Hij blijft bij: deze Israëlische soldaat deed mij op dat moment onrecht aan.
Generaliseren is makkelijk. Het geeft onmiddellijk orde en overzicht aan je woede. Ik ben daar zelf bijzonder goed in, ook als dokter.
Voorbeeld: In mijn agenda staat: ‘Wil per se vandaag nog een spoedafspraak, gaat morgen op vakantie, wilde niet zeggen waarvoor.’ Voor ik hem binnenroep, heb ik hem al volledig uitgetekend. Zo’n man die denkt dat hij een premium-abonnement op dienstverlening heeft. Hoogopgeleid, veeleisend, denigrerend tegen de assistentes, overtuigd van zijn recht op voorrang, het soort dat in restaurants om de manager vraagt. Binnen dertig seconden is hij in mijn hoofd uitgegroeid tot een stereotype en zit hij al in het bakje arrogante eikels. Ik zie het gebeuren en schaam me ervoor, maar het oordeel is er toch.
Dan haal ik adem, roep hem binnen, en tref natuurlijk geen karikatuur maar iemand die bang is, of gestresst, of beschaamd, of alle drie. Mensen bellen nou eenmaal zelden de huisarts als alles geweldig gaat en ze superrelaxed zijn.
Ik ben niet de enige in de zorg die niet altijd een open blik heeft.
Zo kennen we in de zorg de term heartsink patient. Dat zijn patiënten bij wie de dokter, bij het zien van de naam op de afsprakenlijst, denkt: oh nee hè, niet die vandaag. Het zijn vaak mensen die komen met problemen die niet goed medisch op te lossen zijn, maar waarbij de dokter het gevoel heeft dat de patiënt dat wel verwacht. Dat roept frustratie op, machteloosheid, soms moedeloosheid, en voor je het weet zit je minder open in dat consult dan je zou willen. Niet omdat de dokter die patiënt niet wil helpen, maar omdat die soms al voelt: we gaan hier straks allebei weg zonder dat er echt iets is opgelost, en over twee weken zitten we hier weer.
Huisarts Shakib Sana organiseert deze week met andere artsen het congres Zorg onder Vuur. Sana zet zich al jaren in voor betere toegang tot zorg, zowel voor kwetsbare groepen in Nederland als voor collega’s in oorlogsgebieden.
Woensdag spreekt Izzeldin Abuelaish daar. Ik ga niet in de verwachting dat we daarmee de haat de wereld uit helpen. Maar ik hoop er iets op te steken over de discipline om niet te snel te oordelen. En dat zou in mijn geval al winst zijn.
En als u binnenkort een licht geïrriteerde dokter tegenover zich heeft: stop die dan niet meteen in het bakje arrogante eikels.
Compassie graag. Over en weer.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant