Geschiedenis van Israël De Amerikaans-Israëlische historicus Omer Bartov onderzoekt in zijn nieuwe boek hoe het zionisme kon uitlopen in een moorddadige onderdrukkingsmachine. De rauwste vergelijkingen gaat hij daarbij niet uit de weg.
Israëlische militairen bewaken in de stad Rafah in de Gazastrook Egyptische soldaten en Palestijnen die gevangen zijn genomen tijdens de Zesdaagse Oorlog. 5 juni 1967.
Wat ging er mis? Non-fictie met die vertwijfelde titel is een beproefd genre geworden in de schokkende turbulentie van de eenentwintigste eeuw. De aftrap werd in 2002 gegeven door arabist Bernard Lewis, die na de massamoordaanslag van Al-Qaeda in New York de radicalisering van de islam onder de loep nam in What Went Wrong? Het werd hem niet alom in dank afgenomen – Lewis, politiek conservatief en adviseur van de regering-Bush, werd beticht van oriëntalisme – maar dat er iets goed misgegaan was, viel toch moeilijk te ontkennen.
Omer Bartov: Israel. What Went Wrong? Fern Press, 243 blz. €25,99
Wie had toen, met alle ogen nerveus gericht op ‘de islam’, verwacht dat er twintig jaar later een vergelijkbare titel zou verschijnen over het land dat zich graag „de enige democratie in het Midden-Oosten” noemt? Dat boek is er nu, Israel. What Went Wrong?, door de Holocaust-historicus Omer Bartov. Hij is geen analist aan de zijlijn. Bartov (1954), geboren in een kibboets en hoogleraar genocide-studies aan de Amerikaanse Brown University, waarschuwde in The New York Times al kort na het begin van de oorlog in Gaza dat Israël hard op weg was genocide te plegen – een conclusie die hij een jaar later daadwerkelijk trok.
Dat verscheurde engagement met Israël doordrenkt dit korte boek, dat een antwoord zoekt op de vraag hoe het zionisme, een ideologie die begon als de emancipatie van een vervolgd volk, kon uitlopen in een moorddadige onderdrukkingsmachine. Bartov, die studies schreef over de afstomping van Wehrmacht-soldaten aan het Oostfront, schuwt daarbij de rauwste vergelijkingen niet. Hij ziet een parallel met de woeste zelfrechtvaardiging van Israëlische soldaten die hij tijdens een bezoek aan het land in 2024 ontmoet en met de „verbijsterende onverschilligheid” van de burgerbevolking over het leed in Gaza, inclusief de dood van duizenden kinderen. Na de Hamas-terreur van 7 oktober (die hij vergelijkt met 11 september 2001, maar geen „pogrom” noemt) gelden geen grenzen meer aan de wraakzucht.
Pas het laatste jaar, na de officiële ‘wapenstilstand’, ziet Bartov her en der het besef indalen wat in Gaza is aangericht. Zelfs zijn collega-historicus Benny Morris, een geharnaste zionist, erkende in de krant Haaretz somber het gevaar van genocide (al zag hij een genocidale impuls ook bij de Palestijnen) en toonde zich geschokt door de onverschilligheid in Israël over de ,,massaslachting”. Bartov, die in de jaren zeventig in het leger diende, was er eerder bij. Al in 1987 protesteerde hij bij toenmalig defensieminister Rabin – die had opgeroepen de „armen en benen te breken” van stenen gooiende Palestijnse jongeren – dat het Israëlische leger zo een Wehrmacht-mentaliteit dreigde te ontwikkelen. Hij kreeg als antwoord dat zijn vergelijking schandalig was.
Dat betekent niet dat Bartov, kleinkind van uitgeweken Russische Joden, een kaarsrechte lijn ziet van het oorspronkelijke zionisme naar de slachting in Gaza, of dat hij de stichting van de staat Israël in 1948 een „historische vergissing” vindt. Hij plaatst Gaza in een historische context van kolonialisme, etnische zuivering en genocide, maar onderstreept dat de verwording van het zionisme in Israël een „lang proces” was en „nooit onvermijdelijk”. Het hád op tal van momenten anders kunnen lopen – een boodschap die haaks staat op de activistische conventional wisdom dat het zionisme van meet af aan racistisch en genocidaal was.
Een van die fatale momenten was de Zesdaagse Oorlog van 1967 en de daaropvolgende bezetting van de Palestijnse gebieden, het begin van stelselmatige onderdrukking en (een term die Bartov beperkt tot de Westelijke Jordaanoever) apartheid. Israël, schrijft hij, was op de keper beschouwd hooguit een volwaardige democratie van december 1966, toen het militair gezag over de Palestijnen die na 1948 in Israël waren gebleven werd beëindigd, tot juni 1967 en de territoriale expansie.
Ook de omarming van de Holocaust als bepalend voor de Israëlische identiteit was volgens Bartov funest. Nog kort na de oorlog waren zionisten wars van de herinnering aan Joods slachtofferschap – ze wilden een nieuw, ‘sterk’ Joods volk – maar inmiddels beheerst dat het publieke leven in Israël. Het heeft geleid tot een steeds aangewakkerde angst voor herhaling. Bartov gaat nogal snel voorbij aan het argument dat óók het anti-Israëlische contrageweld en reëel antisemitisme die angst periodiek zuurstof gaven. Hij wijdt een hoofdstuk aan de historie van Jodenhaat, maar de conclusie daarvan is – terecht maar ook voorspelbaar – dat de beschuldiging van antisemitisme nu vooral een wapen is geworden om Israël van elke kritiek te vrijwaren.
Misschien verbazingwekkend, maar het interessantste deel van zijn boek is niet dat over genocide of antisemitisme, maar Bartovs analyse van de weeffouten bij de stichting van Israël. De onafhankelijkheidsverklaring van de staat in 1948 beloofde gelijke rechten voor alle inwoners, maar een democratische grondwet kwam er toen niet, en ook niet na afloop van de oorlog met de Arabische buurlanden of de decennia daarna.
Die bewuste omissie (staatsman Ben Goerion wilde meer flexibiliteit voor de staat behouden in de onzekere jaren na de stichting) opende de weg naar de huidige apartheid en machtsconcentratie bij de regering. Dat laatste culmineert in de huidige aanvallen van Netanyahu op het Hooggerechtshof, de instantie die wetgeving ongeldig kan verklaren als die strijdig is met de ‘Basis Wetten’ van het land (die bij gebrek aan een Grondwet burgerrechten vastleggen). Bartov prijst opperrechter Aharan Barak, die begin jaren negentig streed voor rechtsbescherming van minderheden en tegen de regering – maar kapittelt hem ook, omdat hij wegkeek bij de rechtsongelijkheid in de bezette gebieden.
Zo blijft Israël verstrikt in een dilemma waar het al bij de stichting mee worstelde. Het land kan democratisch zijn met gelijke rechten voor iedereen, óf een etnisch-religieuze Joodse staat. Bartovs hoop is dat de wereldwijde verontwaardiging over de genocidale Gaza-oorlog Israël kan „bevrijden” uit dat dilemma. Hij ziet twee scenarios’s voor de toekomst: het wenselijke, of noodzakelijke, is een constitutionele „paradigma-wisseling” en een Palestijns-Israëlische confederatie in enige vorm. Het alternatief is een nachtmerrie: „verder wegglijden in de afgrond” van een autoritaire staat, etnisch-religieus nationalisme en oorlog.
Israel. What Went Wrong? is een hartstochtelijke aanklacht tegen de „tragische” verwording van Israël – een die historisch determinisme probeert te vermijden, wat hem door radicale antizionisten niet in dank zal worden afgenomen. Hij blijft erbij dat het oorspronkelijke zionisme een bevrijdende en emancipatoire inzet had. Juist daarom moet het in zijn ogen nu worden opgegeven. Het zionisme heeft zijn doel allang bereikt, een natiestaat voor de Joden. Het moet worden „ontstegen” om die staat te redden van zichzelf. Kan dat? Je helpt het Bartov hopen, maar de voortekenen zijn niet gunstig.