Een waarschuwing is op zijn plaats, want toen ik eerder over uitwerpselen schreef kreeg ik een brief van een lezer die niet tijdens zijn ontbijt met dergelijke onderwerpen geconfronteerd wilde worden. Daarom: deze column gaat over poep. (En, trigger warning in geval van oranjeallergie: ook over het WK.)
Afgelopen weekend zag ik in Het Natuurhistorisch de drol van wijlen olifant Ramon (1971-1998), befaamde fokstier van Diergaarde Blijdorp. Overleden tijdens de paring: een arbeidsongeval. Nu heb ik een zwak voor olifantenpoep sinds ik ooit een 8-minuten-durende kindernatuurdocumentaire maakte over een mestkever die op zoek gaat naar zijn grote liefde – talloze uit de kluiten gewassen keutels heb ik doorgespit op zoek naar de perfecte hoofdpersoon. Maar Ramons vijg (gelegd op 3-jarige leeftijd) is extra bijzonder. Het was kunstenaar Bob van Persie die de ingedroogde drol aan het museum cadeau deed, inclusief een strik van toiletpapier. „Het mag een wonder heten dat zijn zoon, de bekende profvoetballer Robin van Persie, nooit een balletje met het bijna kogelronde voorwerp getrapt heeft”, aldus het tekstbordje op de vitrine.
Arme Robin. Twaalf jaar geleden tijdens het WK nog cryptogramwaardig materiaal (‘Deze oranjespeler zit bomvol vitaminen’, 5+3+15), nu een op sterk water gezette voetbalcoach. Schrale troost: ook als zijn naam niet meer gescandeerd wordt in de Kuip leeft hij nog voort in Het Natuurhistorisch.
De drol is uiteraard niet alleen door Van Persie tot kunst verheven. Zo kwam de Belgische Wim Delvoye in 2000 met de Cloaca, een machine die de menselijke spijsvertering nabootste, en verkocht het eindproduct. Edwin ‘Ome Willem’ Rutten maakte het broodje poep onsterfelijk. En in 2011 kocht de VPRO ter ere van het destijds 85-jarige bestaan de installatie Stationnement Gênant (‘Hinderlijk geparkeerd’). De kunststof drol, ruim vier meter hoog, was het werk van Wim T. Schippers. Nu is de omroep die hij hielp groot te maken 100, en Schippers dood.
Een paar jaar terug passeerde ik hem tijdens een lunchommetje, een paar straten van NRC vandaan. Zo onverwacht oog in oog met mijn jeugdheld dat ik van schrik beschroomd naar mijn voeten staarde. Wat kon ik hem zeggen, behalve dat ik een jarentachtigkind met Ernie-obsessie was en dat ik zelfs mijn levensmotto aan zijn cassettebandjes had ontleend („Maak er wat van, maak er wat van /Als je ontevreden bent / Nou doe daar dan wat an”)? Ja, gewoon ‘hallo’ – maar dáár dacht ik op dat moment niet aan.
R.I.P. Wim T.. Als u zich stoort aan praatjes over poep beroep ik me op Schippers (Ernie: „Een kransje heet met kerstfeest een kerstkransje. (…) Dus een windje met kerst? Een kerstwindje!” Bert: „Bah Ernie, jij altijd met je vieze praatjes.” Ernie: „Hoe kan een praatje nou vies zijn? Dat windje was pas vies.”).
Bij het zien van de kleur oranje zal ik de komende weken vooral aan Ernie denken. Zijn hoofd was net een mandarijntje, volgens Bert. Of, zo je wilt: een perssinaasappel.
Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag ergens vanuit Nederland verslag