Oorlog in Oekraïne Als donor van bijna een miljoen drones en ander militair materieel speelt Nederland aan de zijde van Oekraïne een doorslaggevende rol in de oorlog tegen Rusland. De dronesamenwerking tussen Den Haag en Kyiv heeft volgens Oekraïne „de koers van de oorlog veranderd”.
Een Oekraïense militair bestuurt een drone tijdens een training in het oosten van Oekraïne. Een zeer groot deel van dergelijke drones is met steun van Nederland geproduceerd.
De Nederlandse militaire steun aan Oekraïne speelt een doorslaggevende rol in de oorlog tegen Rusland, zo blijkt uit gesprekken die NRC voerde met Oekraïense en Nederlandse sleutelfiguren. Zo wordt volgens Kyiv een derde van alle Russische doden en gewonden op het slagveld (in totaal zo’n 35.000 per maand) uitgeschakeld door Oekraïense dronetroepen die door Nederland zijn uitgerust.
„De Nederlands-Oekraïense samenwerking op het gebied van drones heeft de koers van de oorlog veranderd”, zegt Oleksi Antonjoek, verantwoordelijk voor internationale samenwerking op het Oekraïense ministerie van Defensie. Kolonel Simon Wouda, die in Nederland de militaire hulp aan Oekraïne coördineerde, onderschrijft die lezing: „Ik denk niet dat dat overdreven is.”
In het voorjaar van 2025 besloot toenmalig minister van Defensie Ruben Brekelmans (VVD) om 500 miljoen euro te steken in een Oekraïens plan voor grootschalige productie en inzet van Unmanned Aerial Vehicles (UAV’s). Inmiddels is de Nederlandse bijdrage aan dit Drone Line Initiative gegroeid tot bijna 900 miljoen euro en zijn onder dit programma bijna een miljoen drones geproduceerd. Nederland neemt de volledige kosten voor zijn rekening.
De Drone Line moest het Russische overwicht aan mankracht en materieel compenseren door de massale inzet van UAV’s, waardoor er een ‘kill zone’ van zo’n vijftien kilometer breed zou worden geschapen waarbinnen alles en iedereen onmiddellijk wordt gezien en opgeblazen. „In de nieuwe strategie zijn de drones geen hulpmiddelen meer, maar de kern van de doctrine”, zegt Antonjoek.
Het bemannen van de dronelinie is de belangrijkste taak van de Strijdkrachten voor Onbemande Systemen (Syly Bezpilotnych System), onder het commando van Robert Brovdi – codenaam ‘Magyar’, vanwege zijn etnisch-Hongaarse achtergrond. Volgens Brovdi zijn zijn troepen verantwoordelijk voor „één op de drie” gedode of gewonde Russen aan het front.
Daarbij gebruiken de Oekraïners vooral First Person View (FPV)-drones, kleine quadcopters met een camera en een springlading, die worden bestuurd door een soldaat met een videobril. „De FPV-drones zijn het belangrijkste wapen in deze oorlog”, zegt Brovdi desgevraagd. „En elke FPV-drone die wij gebruiken wordt gefinancierd door het Nederlandse volk.”
Ook andere Oekraïense eenheden aan het front gebruiken UAV’s, maar de dronetroepen van commandant Brovdi hebben volgens Kyiv de meeste impact. „Zij zijn de beste eenheden”, zegt defensie-ambtenaar Oleksi Antonjoek. „En dankzij de Nederlandse steun beschikken ze over zoveel drones dat ze zich volledig op hun taak kunnen concentreren.”
Volgens Oekraïense schattingen zijn aanvallen met drones inmiddels verantwoordelijk voor 80 procent van alle Russische slachtoffers aan het front – doden en gewonden. Dankzij het massale gebruik van UAV’s is de Russische opmars in Oekraïne dit jaar nagenoeg tot stilstand gebracht en moeten de Russen op sommige plekken zelfs terrein prijsgeven.
Volgens militaire analisten hebben drones de oorlogvoering fundamenteel veranderd. Daarbij wordt vaak vergeten wat aan de wieg stond van deze omwenteling, zegt Oleksi Antonjoek. „Iedereen heeft het tegenwoordig over de kill zone, maar die kill zone is het resultaat van de Drone Line, en die is er gekomen dankzij Nederland.”
De Nederlandse regering spendeert ieder jaar drie miljard euro aan militaire steun aan Oekraïne; afgelopen jaar doneerde Nederland, op aandringen van de Tweede Kamer, zelfs 5,5 miljard. In totaal heeft Nederland nu bijna 12 miljard aan militaire steun verleend. Daarmee is Nederland na Duitsland en Noorwegen de grootste Europese donor.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland is de Nederlandse regering vanaf het begin van de invasie niet bang geweest om de toorn van Moskou te wekken. Zo speelde het kabinet-Rutte IV een belangrijke rol bij het op gang krijgen van leveringen van geavanceerde wapensystemen (zoals tanks, houwitsers en Patriot-luchtafweerraketten) en bouwde Den Haag aan een internationale coalitie om Kyiv te voorzien van F-16’s. De luchtmacht leverde zelf in totaal 24 F-16 gevechtsvliegtuigen.
Minder bekend is dat Nederland in 2023 een van de initiatiefnemers was van een internationale coalitie onder leiding van Tsjechië om meer dan een miljoen 155-millimeter artilleriegranaten te leveren aan Oekraïne. Nederland nam hiervoor een kwart van de kosten voor zijn rekening, zo zegt kolonel Wouda. „Ik denk dat meer dan de helft van ons budget is opgegaan aan munitie.”
Inmiddels worden bij bedrijven in Nederland niet alleen drones voor de dronelinie geproduceerd, maar ook wapens voor aanvallen op middellange en lange afstand. Het in Hengelo gevestigde defensiebedrijf Destinus bouwt kruisraketten voor de Oekraïense strijdkrachten. „De in Nederland gemaakte Roeta wordt zeer intensief gebruikt voor aanvallen op middellange en lange afstand, ”, zegt Oleksi Antonjoek. „Je kunt er commandoposten en andere belangrijke doelen mee aanvallen.”
Of dergelijke wapens ook zijn gebruikt tegen doelen op Russisch grondgebied is onbekend. In tegenstelling tot andere landen verbiedt Nederland dat niet. „We hebben nooit geografische beperkingen opgelegd”, vertelt kolonel Wouda. „Als het maar ging om militaire doelen en dat het gebeurde conform de Geneefse Conventies”, die het oorlogsrecht vastleggen.
Een woordvoerder van minister van Defensie Dilan Yesilgöz (VVD) zegt in een reactie dat drones „een belangrijke prioriteit” zijn in de Nederlandse steun aan Oekraïne. „De Oekraïense militairen zetten deze middelen ontzettend effectief in om Russische aanvallen af te slaan. Wij leren zelf ook van de goede samenwerking met Oekraïne en passen deze lessen direct toe binnen onze eigen krijgsmacht.”