Animatiefilm Al dertig jaar breekt ‘Toy Story’ een lans voor ouderwets spelen. De vijfde film in de reeks schetst een grimmig beeld: overal zitten kinderen over schermpjes gebogen.
Bullseye en Jessie in ‘Toy Story 5’.
Regie: McKenna Harris en Andrew Stanton. Met de stemmen van: Tom Hanks, Tim Allen, Joan Cusack. (Nederlandse versie: o.a. Huub Dikstaal, Angelique de Bruijne, Jan Elbertse, Arjan Ederveen.) Lengte: 102 minuten.Te zien in de bioscoop.
„Geef kinderen het recht op spelen terug”, schreven orthopedagoog Louise Berkhout en vrijetijdspedagoog Froukje Hajer vorige week in deze krant. Het leek alsof ze het scenario van Toy Story 5 hadden gelezen. Ze verwezen naar de keuzes die de nieuwe gemeenteraden de komende maanden moeten maken over de inrichting van de openbare ruimte. Waar wonen, bewegen, maar vooral spélen we? Ze baseerden zich op recent onderzoek van Jantje Beton waaruit blijkt dat 400.000 kinderen in Nederland bijna nooit buitenspelen omdat er geen veilige speelplekken zijn.
Misschien moeten de nieuwe colleges maar collectief naar de nieuwe Pixar-animatie, want de Toy Story-films breken al sinds 1995 een lans voor de magie en de heilzame werking van het spelen.
Met de eerste computeranimatiefilm Toy Story was Pixar destijds een vernieuwer. Hoofdfiguren waren de bewoners van de speelgoedkist die toen nog in elke kinderkamer stond. Het verhaal draaide om cowboypop Woody (ook toen al met de stem van Tom Hanks) die zijn leven overhoop gegooid zag toen de hardplastic astronautenactiefiguur Buzz Lightyear (Tim Allen) z’n intrede deed. Zou het ouderwetse speelgoed het afleggen tegen de nieuwe generatie?
De film en zijn vervolgen werkten omdat kinderen en volwassenen een inkijkje kregen in het gevoelsleven van hun speelgoed als het onder het bed gesmeten lag. De grap: de poppen gaan „voor dood” liggen zodra er mensen in de buurt komen en beleven eigenlijk de beste avonturen als ze alleen zijn. De moraal: speel toch eens vaker met je speelgoed, want dan word je deelgenoot van hun fantastische wereld. Het onderliggende thema: ook poppen zijn net als mensen bang om in de steek gelaten te worden.
Dat is dertig jaar en vijf films later niet anders. De wereld die regisseurs Andrew Stanton en McKenna Harris schetsen, is echter een stuk grimmiger. Kinderen en volwassenen zitten over hun verslavende schermpjes gebogen en de kleine Bonnie (die we in deel vier leerden kennen) is het enige kind dat nog met poppen speelt.
Maar omdat ze zo verlegen is, besluiten haar ouders haar een tablet te geven. Waarop de echte-wereld-dynamiek zich met Mach 5 naar toxic online verplaatst en ze ten prooi valt aan cyberpestende vriendinnen. Verder lijkt de zelfdenkende Lilypad behoorlijk op een manipulatieve AI. Daar ligt een schone taak voor de poppen, met als aanvoerder cowgirl Jessie (Joan Cusack), de in deel twee geïntroduceerde bestie van Woody. Kunnen ze de kinderen weer aan het spelen krijgen?
Buzz Lightyear (stem Tim Allen) en Woody (Tom Hanks).
De film gaat er kortom met gestrekt been in. En waarom eigenlijk niet? Het is wel prettig dat de filmmakers zo duidelijk stelling nemen. Al vraag je je als volwassene wel met vreze af of ze met dat goedbedoelde moralisme veilig de eindstreep halen. Vergeleken met dertig jaar geleden is een bedrijf als Pixar geen luis in de pels van Hollywood meer, maar opgekocht door Disney en een radertje in het entertainmentsysteem. Toy Story is een merk met bijbehorende merchandise. Zelfs de Lilypad, toch eigenlijk de bad girl van de film, is al te koop.
De bochten waarin de film zich wringt om iets te zeggen over het beperken van schermtijd, en tegelijk een pleidooi te houden voor ouderwets spelen, verdienen geen schoonheidsprijs. De nostalgische speelgoedwereld die moet leren omgaan met verandering, was in Toy Story van meet af aan vaste prik. Een goeie metafoor voor opgroeien. Maar het elektronische speelgoed waarmee Jessie, Woody, Buzz en de anderen een bondje moeten sluiten tegen de tablet, is behoorlijk eng. Wie laat in hemelsnaam z’n kind bespioneren door een zindelijkheidsrobotje met wifi? En zijn die eerste generatie-schermpjes minder kwalijk dan de Lilypads en de op drones lijkende upgrades van Buzz die in de proloog en epiloog de mogelijkheid van een zesde deel openhouden?
De beste momenten zijn eigenlijk een eerbetoon aan analoog. Als de spelende kinderen in hun fantasiewereld verdwijnen is die met z’n mix van animatievormen, waaronder 2D en waterverfstreken eigenlijk veel aantrekkelijker en prikkelender dan Pixars state of the art 3D. Of neem de scène waarin Bonnie haar poppen verloochent en Jessie dan zonder een spier te vertrekken haar slappe ledematen nog iets verder laat vallen. Droeviger dan dat kan het niet. Het voelt alsof je zelf je schouders laat zakken. Als animatie bezieling betekent, dan is dat precies wat er op zulke momenten gebeurt.