Wij mensen zijn betekenisgevende wezens las ik laatst weer eens. En inderdaad, dat zijn we. Het is moeilijk om géén betekenis te hechten aan wat het ook maar is dat je ziet of hoort of doet. Maar het is tegelijkertijd ook makkelijk om die betekenis te loochenen. Diploma’s, contracten, huwelijken, begrafenisrituelen, ze worden hooggehouden, maar ook om allerlei redenen verworpen. „Ach, dat is alleen maar een papiertje.” „Zo’n formaliteit vinden wij niet nodig.” „Doe mij maar gewoon weg na mijn dood.”
Vooral huwelijken. Heel vaak zeggen mensen: „Ja, als je kinderen hebt of wilt, dan is het makkelijk, dan is alles geregeld. Maar verder…” Het zegt ze niets, bedoelen ze.
Laatst zei een vriendin: „Mensen moeten niet trouwen, want dan gaan ze ook weer scheiden en dat is zo akelig.”
Scheiden is inderdaad heel akelig, omdat uit elkaar gaan zo pijnlijk is, meestal voor beide partijen. Zou het erger zijn als je getrouwd bent geweest?
Zelf vind ik eigenlijk van wel, en ik denk dat die vriendin dat ook vindt, anders zou ze niet speciaal willen aanraden om níet te trouwen. Of zou ze alleen maar het ontbinden van het contract bedoelen? Dat kan heel onplezierig zijn, met kinderen of bij een gemeenschap van goederen die maar kort heeft bestaan – ineens blijkt het huis dat je van je vader geërfd had voor de helft van de wederpartij.
Maar eigenlijk dacht ik meer aan het begin, aan wat trouwen betekent. In de necrologie van Lieke Marsman in NRC las ik dat ze in de laatste maanden nog getrouwd was. Ik heb wel meer mensen gekend die op het laatst van hun leven nog trouwden, en dan ging het niet voornamelijk om snel nog zo’n gemeenschap van goederen in te stellen. Het ging vooral om de betekenis die het ‘alleen maar een papiertje’ overstijgt. Het is geen papiertje, het is een belofte.
In de kerk is het een sacrament, ‘sacraal’ dus, ‘heilig’. Dat woord wordt buiten de kerk bijna alleen nog in licht ironische zin gebruikt (‘het borreluur is mij heilig’) of in de betekenis van schijnheilig (‘dat is zo’n heilig boontje’). Eigenlijk jammer. Het is wel mooi als sommige grote dingen, zoals de belofte dat je voor elkaar zorg zult dragen in goede en slechte tijden, tot de dood ons scheidt, heilig zijn.
De wet voorziet alleen maar in ‘voor elkaars levensonderhoud zorg dragen’ en dan zijn er nog wat rechten (elkaars naam dragen) en plichten (elkaars toestemming verkrijgen bij de verkoop van het gezamenlijke huis). De wet maakt het niet erg poëtisch, maar de bedoeling van bijna iedereen die trouwt, is wel degelijk ‘tot de dood ons scheidt’.
Als de dood dichtbij is, lijkt dat vanzelfsprekend, je zou het niet eens meer hoeven te zeggen, maar wie die woorden uitspreekt, zegt er nog iets anders mee, iets dat zowel heel intiem is als heilig, en dat misschien daarom bijna alleen in een officiële enscenering en openbaar kan worden uitgesproken: dat er een heilig verbond is gesloten dat van nu af aan onverbrekelijk is, dat je daarin gelooft, dat dat je bedoeling is.
Tot het verbroken wordt. Dat bedoelde mijn vriendin natuurlijk ook. Scheiden is zo verschrikkelijk omdat het niet kan, de belofte was onverbrekelijk.
Daarom is trouwen in het zicht van de dood, de grote verbreker, zo betekenisvol. Soms willen twee mensen toch zeggen, ten overstaan van getuigen, plechtig, dat er een onverbrekelijke band bestaat.