Polarisatie Spanningen in de samenleving hebben óók te maken met hoe instituties communiceren. Burgers kunnen zich vernederd en uitgesloten voelen door een overheid die haar standpunt blijft perfectioneren, schrijft Harrie van Rooij.
Illustratie
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft een inclusieve taalgids samengesteld met daarin een lijst van woorden waar je als ambtenaar mee moet oppassen. Uitsluiting en stereotypering kunnen immers ingebakken zitten in woorden die onschuldig lijken. Volgens de gids, die begin april uitlekte, kunnen ambtenaren bijvoorbeeld beter ‘jij-dag’ zeggen dan ‘vaderdag’ en ‘moederdag’.
Harrie van Rooij is communicatiewetenschapper en filosoof.
Een ruime meerderheid van Tweede Kamerleden sprak met afschuw over zo veel betutteling. Verantwoordelijk staatssecretaris Judith Tielen (Onderwijs en Emancipatie, VVD) nam haastig afstand van de gids.
Het is niet verrassend dat taalvoorschriften emoties oproepen. Als je toch al vindt dat je in dit land niets meer mag zeggen, komt zo’n woordenlijst binnen als een regelrechte provocatie. Aan de andere kant hoef je je beeldscherm maar aan te zetten om precies het tegenovergestelde waar te nemen. Op sociale platforms is schelden, schimpen en schofferen de alledaagse omgangsvorm geworden. Het is eveneens de voertaal van radicaal-rechts, MAGA en de manosphere.
Zowel correcte als incorrecte taal kunnen beroering veroorzaken. Tegelijk is taalgebruik zelden onderdeel van verdiepende analyses over wantrouwen en polarisatie. Woorden doen ertoe, maar we zijn geneigd ze te zien als de omhulsels waarin mensen hun ideeën verpakken. Belangrijk, maar uiteindelijk gaat het over de ideeën zelf. Toch hebben spanningen in de samenleving altijd óók te maken met de manier waarop ideeën in gesprekken worden verdedigd, met de taal die we daarbij gebruiken. En het ongelukkige is dat taalgebruik voortdurend spanningen reproduceert die we door te praten juist willen verminderen.
In zijn klassiek geworden studie Anti-intellectualism in American Life (1963) beschrijft historicus Richard Hofstadter wantrouwen tegen intellectuelen als een terugkerend cultureel fenomeen in democratische samenlevingen. Lees bij ‘intellectuelen’: elites, experts, wetenschappers en instituties. Mensen voelen weerzin tegen intellectuelen omdat ze die associëren met afstandelijkheid, superioriteit en culturele uitsluiting.
Deze weerzin wordt volgens Hofstadter gevoed door de manier waarop elites praten: genuanceerd, afgewogen, procedureel en terughoudend. Dat zijn allemaal vanzelfsprekende deugden voor wie NRC leest of op D66 stemt. Maar, zegt Hofstadter, wie anti-elitaire gevoelens heeft, voelt zich erdoor gecorrigeerd, vernederd en uitgesloten.
Hierdoor gaat het ook makkelijk mis als instanties professionele communicatie inzetten. Onder institutionele communicatie zit vaak de aanname dat mensen meer kennis nodig hebben om begrip voor maatregelen te kunnen opbrengen. Dus gaan we beleid onderbouwen met feiten, en nog eens rustig uitleggen hoe complex het is.
Precies die benadering is brandstof voor anti-elitaire gevoelens. Intellectuelen houden van complexiteit, maar de mensen die die zich niet thuis voelen in de wereld van experts van instituties haten het. Uitleg voelt als correctie, het komt van ergens uit de hoogte. Denk maar terug aan de persconferenties tijdens de coronacrisis: terwijl politici behoedzaam formulerend hun beslissingen verdedigden, groeide de groep van afhakers.
Het is naïef om te veronderstellen dat de communicatiekloof eenvoudig te overbruggen is. De taal die we daarvoor geneigd zijn te gebruiken, is dezelfde als die de kloof heeft helpen ontstaan. In zijn boek Langage et pouvoir symbolique (1991) legt socioloog Pierre Bourdieu bloot dat in taal machtsmechanismen werkzaam zijn. De taal van de instituties zit vol met informele codes: over wie deskundig is, wie wordt gehoord en welke emoties acceptabel zijn.
Wie de institutionele taal machtig is, heeft de grootste kans om gehoord te worden. Maar anders dan de taalvoorschriften van het ministerie van OCW, zijn institutionele regels ongeschreven. Institutioneel praten leer je tijdens je opvoeding en later tijdens je studie. Voor wie er niet in is opgegroeid of opgeleid, blijven de taalregels tot op zekere hoogte onbereikbaar. Ze zijn bovendien geen onderwerp van gesprek; ze gaan altijd aan het gesprek vooraf.
Met Bourdieu kunnen we de taal van populistische leiders begrijpen als een afwijzing van een institutionele hiërarchie. Bijna zonder uitzondering praten populistische politici in een taal die het institutionele spreken overtreedt: grof, conflictueus, emotioneel, wars van regeltjes. „Angstporno!”, reageerde Caroline van der Plas (BBB) toen het Voedingscentrum een nieuwe Schijf van Vijf met weinig vlees en veel peulvruchten presenteerde. „Mijn schijf van één”, voegde Wilders eraan toe. „Niks vernieuwing, leve de Hollandse gehaktbal.”
Zo pratend creëren ze een wereld met felle contrasten. Er zijn medestanders en tegenstanders, zwart en wit, mannelijk en vrouwelijk, voor en tegen. Kleur bekennen geldt als oprechtheid. Het is een wereld waarin macht, hiërarchie en traditie de uitkomst bepalen. Daarbij maken populisten gebruik van heroïsche frasen: we moeten niet lullen maar poetsen!
In dit spraakspectrum zijn mensen die met omhaal van woorden spreken bij voorbaat verdacht. Veel kiezers beoordelen politici tegenwoordig eerder op emotionele echtheid dan op feitelijkheid: belangrijker dan de vraag of iets waar is, wordt de vraag of je zegt wat je werkelijk denkt en voelt. Media belonen op hun beurt een populistische stijl van spreken door hun voorkeur voor snelheid, conflict en heldere meningen.
Als we echt iets wilen doen aan verbinding, zullen we dus ook fundamenteel anders naar institutionele communicatie moeten kijken. Verbinding ontstaat niet door het nóg beter uit te leggen. Institutionele boodschappen blijven altijd asymmetrisch. Het verhaal ligt al klaar. Verschillen worden gladgestreken en consensus voorgekookt, wat we ook terugzeggen. Mensen voelen dat feilloos aan.
Verbinding ontstaat ook zeker niet waar sprekers vanuit politieke motieven mensen naar de mond gaan praten. Door te zeggen dat je geweld tegen asielzoekerscentra afkeurt, maar tegelijkertijd begrip te tonen voor ‘de zorgen van deze mensen’, legitimeer je strafbaar gedrag en geef je brandstof aan uitdrukkingen van haat.
Ook inclusieve taalregels, zoals die van OCW, zijn niet hét antwoord. Maar het is misplaatst om er schamper over te doen. Het is winst als overheidsinstanties zich verdiepen in de manier waarop taal machtsverschillen en ongelijkheid reproduceert. Tegelijk blijft de paradox van institutioneel spreken in stand: als een instituut voorschrijft welke woorden wenselijk zijn, wordt de boodschap van inclusie al snel ervaren als een vorm van culturele correctie. Voor je het weet, roep je de weerstand op die je probeert te verminderen.
Wat dan wel? Het begint met de oprechte wil om iets van het verhaal – en ook de taal – van de ander begrijpen. De Amerikaanse sociologe Arlie Russell Hochschild trok voor haar boek Strangers in Their Own Land (2016) jarenlang op met conservatieve Amerikanen in de staat Louisiana. Een van de vragen die Hochschild fascineren, is waarom deze Amerikanen blijven stemmen op Republikeinse politici. Die steunen immers de oliebedrijven die de plaatselijke rivieren vergiftigen, waardoor mensen ziek worden. De Republikeinen willen overheidsprogramma’s afschaffen die in deze armste staat van de Verenigde Staten voor banen zorgen. Ze zijn fel tegen immigratie, terwijl je ook gevoelens van barmhartigheid zou verwachten in een gemeenschap die zich zo diep identificeert met christelijke waarden.
Als je alleen zou kijken naar beleidsprogramma’s, blijven de politieke voorkeuren van deze traditionele conservatieven nogal onbegrijpelijk. Achter de politieke boosheid, ontdekte Hochschild echter, schuilen ervaringen van verlies van waardigheid. Voor veel van de Amerikanen die Hochschild sprak, vertegenwoordigen liberale en progressieve politici de elites die hen belachelijk maken. Hillary Clinton sprak over deplorables (verachtelijken), het kostte haar in 2016 vermoedelijk het presidentschap.
De redenering gaat ongeveer als volgt. ‘Misschien hebben progressieven programma’s die beter zijn voor onze situatie, maar ze lachen ons achter onze rug uit en denken dat we te dom zijn om het te merken. Dat is tot daar aan toe, maar één ding is niet te verdragen: ze vertellen ons hoe we ons horen te voelen. Dat we medelijden moeten hebben met Syrische vluchtelingen, dat er mensen zijn die het nog slechter hebben dan wij en dat het erg is dat het klimaat verandert.’
Mensen die Hochschild spreekt, vertellen verhalen over het gevoel dat iedereen wordt gehoord behalve zij of hun gemeenschap. Dat ze al jarenlang in de rij staan voor een Amerikaanse droom die nooit dichterbij komt. Ondertussen sluiten anderen, zoals immigranten en vrouwen, vóór hen aan in de rij.
Wat je daar ook van vindt, politieke opvattingen doen er niet zo veel toe op het moment dat je je vernederd voelt. Hochschild laat in haar boek zien hoe langdurig luisteren de afstand kan verkleinen. Wie zich erkend voelt, laat verdedigingsreflexen los. Mensen veranderen niet zomaar van mening, maar het conflict wordt constructiever als we er langzaam meer nuance in toelaten.
In deze tijd lijkt de maat soms vol. Zeker sinds de brandstichting in een asielzoekerscentrum in Loosdrecht en de uitspraken van extreemrechtse politici over ‘omvolking’ lijkt er een grens bereikt. Waarom zouden we blijven luisteren naar mensen die dreigen en idiote meningen uitschreeuwen? Hoe begrijpelijk ook, het is belangrijk daar weerstand tegen te bieden.
Luisteren is nooit hetzelfde als begrip hebben, steunen of het ergens mee eens zijn. Het betekent vooral dat je je oordeel opschort. Je maakt ruimte voor de eigen, soms niet-legitieme taal van de ander. Je erkent dat hun ervaringen waardevolle kennis bevatten. Luisteren betekent niet dat feiten er niet meer toe doen. En ook beslist niet dat je hoeft te accepteren dat mensen grenzen overschrijden. Het betekent alleen dat je het idee loslaat dat je mensen zomaar kunt overtuigen van jouw gelijk.
Voor instanties en politici is luisteren een wezenlijk andere manier van communiceren. Ze zullen ruimte moeten maken voor woorden die niet van hen zijn. Mensen voelen het namelijk onmiddellijk als ze worden teruggeleid naar het vocabulaire en de logica van instanties.
Het is overigens niet zo dat overheden nooit luisteren. Zij spreken bijvoorbeeld voortdurend met belangenorganisaties en andere vertegenwoordigers. De uitdaging is dan ook om veel méér vormen van luisteren te ontwikkelen, zodat mensen kunnen spreken vanuit hun eigen ervaringen en vragen.
Het betekent dat de overheid moet afkicken van de vraag ‘wat is hier onze boodschap?’. Daarvoor in de plaats moet ze vragen: ‘hoe zorgen we ervoor dat mensen zich kunnen uitspreken zonder dat wij ze onmiddellijk corrigeren?’ Dat is niet zonder risico. Want een overheid die dat doet, moet onvoorspelbaarheid verdragen. En uiteindelijk moet ze kunnen veranderen: want wat ze hoort, kan haar ideeën wel eens doorkruisen.