Home

In de natuur kan het verdriet om een hechte vriendschap langzaam slijten

Fictie In haar roman Erosie laat dichter Astrid Haerens overtuigend zien dat het een misvatting is te denken dat ‘vriendschapsverdriet’ per definitie kleiner is dan liefdesverdriet.

Winderosie aan de kust.

Astrid Haerens: Erosie. Atlas Contact, 248 blz. € 22,99

„Ik ben hier gekomen om je los te laten.” Aan het woord is Helle, een internationaal gevierd beeldend kunstenaar van achterin de dertig, die intens rouwt om Alma, die ze plotseling is kwijtgeraakt. Ze trekt zich terug op een Duits Waddeneiland en struint de stranden af op zoek naar barnsteen, terwijl ze in haar geheugen de lange geschiedenis van haar vriendschap onderzoekt. Hoe kwam de breuk tot stand? Erosie is de tweede roman van dichter Astrid Haerens (1989), die in dit verhaal haar poëtische blik richt op een indringend rouwproces, tegen de achtergrond van een geïsoleerd, onverbiddelijk landschap.

De rouw om een uitgedoofde geliefde of verloren familielid doemt vaak op in romans, die om een verbroken vriendschap minder. Maar: „Vriendschap is niet institutioneel [..]. En daarom zo vrij. Zo echt. Het is de meest waarachtige vorm van liefde”. Vanaf het moment dat ze elkaar leren kennen op de basisschool lijkt Alma een zwaartepunt te zijn waar alles in Helles leven naartoe rolt. Hun symbiose bestaat jarenlang, tot hun tijd aan de kunstopleiding („Misschien was onze band wel het interessantste dat we tot nu toe hadden gemaakt”) en daarna, als ze de kern van een leefgemeenschap vormen in een groot antikraakpand.

Wat Helle voor Alma voelt, beweegt zich ergens tussen een intense liefde en een hechte familierelatie, waardoor de classificatie ‘beste vriendin’ eigenlijk te licht is. Het gebrek aan een sluitende duiding is een worsteling an sich: Helle weet hoe groot het is wat ze voelt („Ik wist niet waar ik ophield en waar de andere begon”), maar niet hoe dat precies heet.

Erosie laat overtuigend zien dat het een misvatting is te denken dat ‘vriendschapsverdriet’ per definitie kleiner is dan liefdesverdriet. Helles rouw neemt de vorm aan van een existentiële crisis: „Nu twijfelde ik eraan of ik nog wel een mens was, volledig, of eerder een zwervende, afwisselende aan- en afwezigheid.” Naar Alma’s beweegredenen om zo abrupt het contact te verbreken blijft het gissen, in een zeldzaam e-mailbericht stuurt ze enkel: „Ik wou dat ik het beter uit kon leggen, maar ik ben er niet klaar voor.” Waar het dragen van pijn al eenzaam is, komt hier nog de eenzaamheid van het niet-begrijpen bij.

Niet kunnen ademen

Rouwen is niet kunnen ademen of eten, niet kunnen slapen of juist niet kunnen opstaan. Landschap en mens vallen hier samen: de bewegingen van het eiland echoën na in Helles lijf. Enerzijds is de natuur hard, met de stormachtige wind, de kou en het indringende isolement die voelen als een inbreuk op haar gestel. Anderzijds voelt ze zich gedragen en getroost door de schoonheid van het gebied en biedt haar zoektocht naar barnsteen, die helende krachten heeft, haar een concrete dagbesteding. ’s Avonds schikt ze haar gevonden materiaal en zo ook haar gedachten: „Soms lijkt het alsof ik in materie gegoten herinneringen raap.” Er zijn kleine ontmoetingen met de eilanders Hetty en haar broer, beide broos en op leeftijd, verder keert Helle zich vooral naar binnen.

Zoals schelpen en stenen op een bepaalde manier herinneringen zijn die slijten, is de rouwverwerking in zekere zin een vorm van slijtage. Wat de roman prachtig metaforisch toont is het proces van erosie, waardoor een brok steen héél langzaam, stukje bij beetje, van vorm verandert door alles wat er zachtjes of ruwer langs schuurt. Erosie is pas zichtbaar als het zich al heeft voltrokken. Dit is precies wat Helle onder ogen moet komen: de innige vriendschap die ze met Alma had – of dacht te hebben – is iets anders geworden.

Van een afstand kan ze ernaar kijken, brengt ze de geruisloze gedaanteverwisseling in kaart: ze kan haar eigen afhankelijkheid en onzekerheid beter doorzien en begrijpen hoe die haaks stond op het onafhankelijke, avontuurlijke, extraverte karakter van Alma. Ook komt ze erachter dat haar deel van het verhaal onderhevig is aan herinneringen die allesbehalve feilloos zijn (Alma herinnert zich hun eerste ontmoeting op fundamentele punten anders) en gebonden is aan háár perspectief. Zo bezien is misschien wel elke relatie complex van betekenis en onmogelijk om helemaal te doorgronden: de verhouding ontwikkelt zich mettertijd en zo doen de individuen in die relatie dat ook. Dat zijn een hoop bewegende schakels. Waar Helle in eerste instantie vastigheid zoekt in antwoorden, laat ze dat gaandeweg los en begint ze te verlangen naar porositeit, doorlaatbaarheid, vloeibaarheid; precies de transformatie die erosie teweegbrengt.

Taalfeest

Bij een roman van een dichter verwacht je een taalfeest en die verwachting lost Haerens in. Haar taal is zintuiglijk, gevormd naar ritme, klank („zuigzompslikkerige platen”) en gevoel („blauwblauwdiepdonkerzee”). Haerens gebruikt woorden niet alleen als betekenisdragers, maar als materiaal, kneedbaar als klei: „Laatst dacht ik na over het woord wapperen. Ik proef het in mijn mond: wapperen. Alles wap wap wappert hier – weg.” Er is bovendien een rijkdom aan beelden, neem bijvoorbeeld stenen als slapende kinderen, wiegende duinen, wier als nat gekamd haar, tepels als frambozen en een kousenvoetenhuis waar het zwijgen een extra laag behang vormt.

Zo gonst het in deze roman van het leven, dat tot een climax lijkt te komen in een beeldtaal (die als scheiding van alinea’s wordt gebruikt, maar aan het einde van de roman ook twee volle pagina’s beslaat): reeksen van de letter O, in verschillend formaat, dansend over de bladzijde. De letter wordt hier een klank, een uitroep, een tekening van leegte, je kunt er een luchtbel, of een volle, zware steen in zien.

Haerens heeft ervoor gekozen om een traag proces van rouw, in golfbewegingen van vallen en opkrabbelen, ruim baan te geven. Het is een wankel koord waar ze haar verteller voetje voor voetje over laat lopen, maar ze vat dit in zo’n zelfverzekerde, rijke taal, gestut door een stug, guur landschap en de simpele handelingen van zwemmen in de koude zee, slapen en stenen zoeken, dat ze geen moment haar evenwicht verliest.

De roman komt tot de indringende vraag: is er een antwoord van de ander nodig om vrede te hebben met hoe een gemeenschappelijk verhaal is gelopen, of zelfs afgelopen? Erosie gaat over stagnatie en transformatie, over vasthouden en loslaten: wat is er in het leven eigenhandig te creëren en wat alleen van een afstand te aanschouwen? Het kunnen maken van dit onderscheid vraagt om eenzaam eilandwerk, het vergt overgave, een frisse wind en een hoop zoeken.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next