Dick Schoof, voormalig secretaris-generaal van het ministerie van Justitie en oud-premier, tijdens een verhoor van de commissie.
Naarmate de coronacrisis langer duurde, verloor het kabinet een deel van het contact met de samenleving. In de eerste fase hielden de meeste mensen zich goed aan de coronamaatregelen, naar verloop van tijd steeds minder. Die maatregelen werden daarop strenger, omdat ze slecht werden nageleefd. Dat vertelde oud-premier Dick Schoof, destijds de hoogste ambtenaar op het ministerie van Justitie en Veiligheid, toen hij deze vrijdagochtend werd verhoord door de parlementaire enquêtecommissie corona.
Volgens Schoof heeft het kabinet maatschappelijke, sociale en economische gevolgen „onvoldoende meegewogen” bij besluiten over de maatregelen.
Het bleek volgens hem ook niet mogelijk die effecten goed te meten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het tekort aan IC-bedden en het aantal besmettingen. Schoof: „Het sluiten van scholen, het verbieden van sporten door jongeren en het stoppen van het verenigingsleven pasten niet goed in een afwegingsmatrix. Maar je voelde dat de maatregelen grote maatschappelijke gevolgen hadden, en dat die steeds groter werden. Er was steeds minder begrip voor lockdowns, scholensluiting en de avondklok.”
Tegenstanders van de maatregelen wegzetten als wappies hielp ook niet, zei Schoof. „Als je mensen wegzet, ben je ze kwijt.”
Over de crisiscommunicatie zei Schoof dat de persconferenties op lange termijn hun effect begonnen te verliezen door „steeds dezelfde boodschap” en „vermoeidheid bij het publiek”. Hij zei ook dat het effect van „alles wat op social media over de crisis wordt gezegd”, werd onderschat: „Complottheorieën en fake news verspreidden zich razendsnel. Misschien moet je een volgende keer een rol zoeken voor bijvoorbeeld influencers.”
Twee dagen na de eerste Nederlandse coronabesmetting ging Schoof aan de slag als secretaris-generaal bij Justitie en Veiligheid. Dat was op 1 maart 2020, Schoof kwam van inlichtingendienst AIVD. Het ‘handboek crisisbesluitvorming’ speelde meteen een cruciale rol, vertelde hij aan de commissie – in zijn antwoorden kwam het woord ‘handboek’ veelvuldig terug.
Probleem was wel, zei Schoof, dat het „alleen in algemene termen” was geschreven en „nooit gericht op een pandemie”. En, voegde hij toe: „Bij crisissituaties moet je in de eerste fase accepteren dat je besluiten neemt met een totaal gebrek aan informatie. Informatie die je echt nodig hebt, heb je nooit.”
De chaotische besluitvorming in de eerste periode van de crisis was volgens hem daarom onvermijdelijk. „Het was heel veel, wat op iedereen afkwam.” Met name het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) was volgens de oud-premier niet voorbereid. „Die kwamen zichzelf vol tegen. Het heeft even geduurd voordat VWS het ambtelijk goed had georganiseerd.” Het crisismanagement van de overheid is gericht op een korte crisis, zei Schoof, niet op een langdurige.
Het verhoor verliep stroperig. De oud-premier was breedsprakig, gebruikte veel ambtelijke termen en gaf weinig concrete voorbeelden – de commissie vroeg daar ook nauwelijks naar. Schoof had ook moeite een standpunt in te nemen. Zo leek hij aanvankelijk kritisch op het regelmatige Torentjesoverleg op de werkkamer van premier Rutte, omdat daar een te kleine groep mensen met elkaar van gedachten wisselden. Maar hij betoogde daarna dat zulk informeel overleg tijdens de crisis ook van groot belang was.
Ook maakte het verhoor duidelijk hoeveel weerstand de hoogste ambtenaar, Mark Roscam Abbing, binnen het kabinet ontmoette. Roscam Abbing, die zich vanaf najaar 2020 bezighield met de impact van het coronabeleid op de samenleving, zei maandag tijdens het eigen verhoor al dat minister Hugo de Jonge (VWS, CDA) „niet zijn grootste sponsor” was.
Dick Schoof mailde in die periode dat minister De Jonge „onrustig” werd door de komst van de topambtenaar, die bij de besluitvorming betrokken raakte, naast NCTV-voorzitter Pieter-Jaap Aalbersberg en De Jonge zelf. „Eigenlijk wil Hugo het allemaal zelf doen”, schreef Schoof in een mail, waaruit de commissie citeerde.
Ook minister Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) was ongelukkig met de komst van Roscam Abbing: Grapperhaus wilde niet „medeplichtig” zijn aan zijn komst, mailde Schoof. De oud-premier verklaarde zelf „wel degelijk nut en noodzaak” van de komst van Roscam Abbing te hebben gezien.