Ik zie weinig verliefde jonge mensen, de laatste tijd.
Ik zocht de cijfers erop na, en er bleek in ieder geval minder traditioneel gehandeld te worden naar verliefdheid. Twintigers wonen minder samen, gaan vaker en sneller uit elkaar áls ze samen zijn en wonen regelmatig nog bij hun ouders. Daar worden allerlei redenen voor opgelepeld: er wordt langer gestudeerd, carrières hebben voorrang, er is gebrek aan huisvesting en natuurlijk keuzestress op datingapps.
Misschien worden twintigers wel verliefd, maar speelt alles zich vooral in het holst van de nacht af, in halfverlichte kamers, met de balkondeuren dicht. Logisch: waarom zou je de zoete onredelijkheid met iedereen willen delen? We zijn zichtbaarder dan ooit en weten meer van elkaar dan goed is.
Beter houd je dan verlangens verborgen, en op die manier onbezoedeld, zoals kinderen in de hoeken van hun kamer, onder dekens en in boekenkasten kleine doosjes verstoppen met daarin steentjes, muntjes, haaientanden.
Iets voor jezelf houden lijkt sowieso een nieuwe vorm van sociaal kapitaal. Waar tot voor kort online intieme levens (ziekte en scheiding, vruchtbaarheid en romantiek) ons overspoelden, lijkt het steeds minder aantrekkelijk om je ingewanden uit te spreiden voor de meute. De wereld in je buik en bed betrekken voelt gevaarlijker. Alles wat ze van je weten, de grote bedrijven en de kwaadwillende individuen achter hun toetsenborden, maakt kwetsbaar.
Daar komt nog bij dat schaarste rondom intieme zaken exclusief maakt. En dat is begeerlijk. Niet lijken op de meute (en dus van jezelf een geheim maken), zal in de toekomst steeds gedistingeerder worden.
Maar toch. Waar blijven de verliefden? Een situationship, een contourloos samenzijn, daar komt het vaak op neer. Laatst appte een vriend me over zijn verlangen naar een man die hem gewoon een beetje begrijpt. ‘Het een beetje begrijpen’: de bescheidenheid van die vraag overviel me.
Iemand in je keuken die weet hoe gelijkmatig een ui te snijden, iemand die je badkamerraam openzet als jij dat vergeet. Iemand die een been over je been legt, ’s nachts in bed. Iemand die zijn hoofd in je okselholte wringt, een arm over je borstkas legt, zich uitstrekt, je bezet. Dat allemaal zonder wakker te worden.
Misschien is het toch de Covid-periode geweest. Drie cruciale jaren waarin adolescenten een sociaal en emotioneel leven hoorden op te tuigen, maar op zichzelf aangewezen waren. Een hele generatie in quarantaine, weggehouden van elkaar, en daarom nu nog niet klaar voor het grote werk.
Maar wat gebeurt er als jonge mensen niet alleen wijselijk de buitenwereld op gepaste afstand houden, maar zelf ook geen langdurige verbinding meer kunnen maken met degene in wiens oksel ze lagen? Is zelfbescherming zo’n sterke overlevingsstrategie geworden, dat nu niemand meer bij ze kan komen?
Speelt er niet ook een zekere ongedurigheid en recalcitrantie mee? Misschien willen steeds minder jonge mensen zichzelf nog reduceren tot een gewoon iemand. Wie wil nog een onopvallende burger zijn, met zomaar een huis met zomaar een gezin? Ooit waren dertigers al meneren en mevrouwen. Nu is er minder uitzicht op dat huis, of dat leven. Maar, zo lijkt het: ook minder behoefte om in een stramien terecht te komen.
Misschien zijn jonge mensen steeds moeilijker te begrijpen, of vinden ze dat zelf.
Laat in godsnaam iedereen deze zomer verliefd zijn.
Hand in hand, fietsend in de zon, met haren die naar oksels ruiken.