Weinig kunstenaars waren zo verslaafd aan tekenen en schilderen als de donderdag overleden Brit David Hockney. Het uiterlijk van de wereld was zijn levenslange obsessie. Hij keek gulzig, onverzadigbaar. Zijn vitaliteit beklijft misschien nog meer dan zijn oeuvre.
Weinig kunstenaars waren zo verslaafd aan tekenen en schilderen als de donderdag overleden Brit David Hockney. Het uiterlijk van de wereld was zijn levenslange obsessie. Hij keek gulzig, onverzadigbaar. Zijn vitaliteit beklijft misschien nog meer dan zijn oeuvre.
‘Volgens mij’, zei David Hockney eens in een interview, ‘gaat achter kunst een genotprincipe schuil. Zonder dat zou kunst niet bestaan. Je kunt het bijna helemaal weglaten, maar het moet er wel zijn.’
In het geval van Hockney, die donderdag op 88-jarige leeftijd overleed, was het niet enkel de kijker die genoot. De begaafdste (Britse) schilder van deze tijd beleefde aan zijn kunst zelf ook veel genoegen. Weinigen waren zo verslaafd aan tekenen en schilderen als Hockney. Hij was een van die zeldzame mensen die, zoals Hockney’s vaste interviewer Martin Gayford het ooit typeerde, oprecht kunnen zeggen dat ze meer plezier beleven aan hun werk dan aan plezier.
Het bracht hem veel artistieke erkenning en commercieel succes. De productieve Hockney brak veilingrecords met zijn schilderijen, exposeerde in prestigieuze instituten (zoals de Tate Modern en het Van Gogh Museum) en was (of leek) bevriend met de halve beau monde, van wie hij er velen portretteerde, onder wie bijvoorbeeld popster Harry Styles. Zijn oeuvre was al decennialang gecanoniseerd, opgenomen als het was in talloze kunsthistorische overzichtswerken.
Hockney had de status van een levende legende. Hij deelde zijn tegendraadse, met sjeu gebrachte opinies met de wereld in meerdere interviewboeken en talloze geschreven, door zijn bonte verschijning (het mintgroene vest!) opgeluisterde portretten.
Het was wereldnieuws toen Hockney in 2019 voorafgaand aan zijn tentoonstelling in het Van Gogh Museum door brandweermannen werd gered uit een vastzittende lift. Welke levende kunstenaar deed hem dat na?
Hockney’s levenslange obsessie – fascinatie klinkt te tam – was het uiterlijk van de wereld. Hoe bomen, planten, zonsopkomsten, zonsondergangen, zwembaden, naakten, huisdieren en al die andere dingen die zijn interesse hadden eruitzien, en de miljoen manieren waarop een kunstenaar ze kan vertalen naar het platte vlak, dat was wat Hockney bezighield, decennium na decennium, dag in dag uit.
Hij keek naar de dingen zoals je je voorstelt dat een blinde na een geslaagde oogoperatie ernaar kijkt: gulzig, onbevooroordeeld, onverzadigbaar. De vorm van grassen of regendruppels in een waterplas waren voor hem bezienswaardigheden van formaat.
Dat hongerige had hij al van kinds af aan. Tijdens de wiskundelessen op de basisschool in het industriestadje Bradford in Yorkshire, waar hij opgroeide, zat hij altijd de cactus in de vensterbank te tekenen. In interviews vertelde hij dat hij toen al kunstenaar wilde worden, een ambitie die hij realiseerde met opleidingen aan het Bradford College of Art en het Royal College of Art in Londen.
Op die laatste opleiding veroorzaakte Hockney consternatie toen hij als examenopdracht voor de modelschilderklas een nageschilderd omslag van een homo-erotisch tijdschrift inleverde, omdat hij de modellen waarin de academie voorzag niet aantrekkelijk genoeg achtte. Dat was geen ongevaarlijke actie in het homoseksualiteit criminaliserende Engeland van de jaren zestig. Het was ook een demonstratie van Hockneys eigenzinnige karakter.
Een paar jaar later verhuisde hij van Londen naar Los Angeles, de stad die decennialang zijn vaste standplaats zou zijn, maar waar hij niet per se daadwerkelijk woonde. De Amerikaanse beefcake magazines lokten hem erheen, maar ter plekke bleek het Californische landschap net zo indrukwekkend als de gebeeldhouwde Los Angelinos.
Het licht en de schaal ervan hadden een grote invloed op Hockneys schilderijen, die veel ruimtelijker werden en nu voortkwamen uit de directe waarneming. In deze periode maakte hij zijn beroemde zwembadschilderijen, sexy doeken in acryl die opvielen vanwege hun ongedwongen weergave van de homoliefde (en lust) en ook vanwege hun kleuren.
Die waren ongewoon opgewekt – zeker voor een Engelsman.
Hockneys persoonlijkheid was al net zo kleurrijk als de pigmenten op zijn doeken. Zijn charisma en welbespraaktheid maakten hem al sinds zijn academiejaren een dankbare gesprekspartner voor televisiemakers en journalisten, terwijl zijn eigenzinnige kledingkeuzes hem de status bezorgden van stijlicoon.
Elk decennium, zo leek het, had zijn eigen David: na de fluwelen jasjes en gestippelde dassen dragende dandy-David van de jaren zestig kreeg je de fratboy David van de jaren zeventig, te herkennen aan zijn Ralph Lauren-rugbyshirts en goudblond geverfde haar.
Dat was in een tijd dat de massa zich nog niet hulde in sportkleding. Toen dat wel gebeurde, switchte Hockney razendsnel naar geruite pakken en platte petten. Enkele jaren geleden baarde hij nog opzien toen hij tijdens een onderhoud met koning Charles een paar kuikengele Crocs (met bijpassende bril) droeg. Kortom, hij was eerder een stijl, dan dat hij er een volgde.
Ook als kunstenaar was Hockney van nature een individualist. Hoewel zijn vroege werk vaak wordt gerekend tot de pop-art (een stroming waar hij naar eigen zeggen vijf minuten toe behoorde) en soms tot de School of Londen, maakte hij in werkelijkheid slechts deel uit van een school: The School of David. Zo maakte hij figuratieve schilderijen (en grafiek) in een tijd dat dat volgens velen een gepasseerd station was, al deden zijn generatiegenoten en vrienden Francis Bacon, Lucian Freud, en Frank Auerbach dat eveneens.
Bijzonder geliefd werden zijn dubbelportretten in zachte, quattrocento pasteltinten, waarvan Mr. and Mrs Clark Percy (en hun witte kat) uit de Tate waarschijnlijk de bekendste is – werken die Hockney zelf op den duur begon te zien als een doodlopende weg.
Daarna verkende hij alle mogelijke stijlen en technieken: olieverf, houtskool, potlood, ets, iPhone, iPad, polaroid, video en kopieerapparaat, een nooit ophoudend experiment waarvan de enige constante was dat het steeds veranderde. David Hockney draaide met zijn werkwijze Picasso’s bekende adagium 180 graden om: hij vond niet, hij zocht.
Veel van deze kunst had een semi-autobiografisch karakter. Het toonde Hockney’s directe omgeving, zijn interieur, zijn tuin, zijn vrienden, zijn geliefde teckels Stanley en Boogie, zijn entourage. Hockney werd altijd omgeven door een gevolg van jongere assistenten, van wie sommigen zijn romantische partner waren. Zij regelden zijn praktische zaken, zoals zijn maaltijden en zijn vervoer, en volgden hem wanneer hij verkaste, wat hij eens in de zoveel jaar deed.
Begin deze eeuw keerde hij vanuit Los Angeles bijvoorbeeld tijdelijk terug naar Yorkshire, waar hij het glooiende landschap en het effect van de seizoenen erop schilderde, en waar zijn grootste schilderij ooit, Bigger Trees Near Warter, ontstond (ruim 4,5 bij 12 meter).
Toen hij daar was uitgeschilderd, vestigde hij zich in Normandië, waar hij tijdens de eerste maanden van de pandemie nature’s erection, zoals Hockney de komst van de lente noemde, vastlegde. Steeds weer verkende hij vreemde kusten. De verandering van omgeving, revitaliseerde zijn werklust.
Dat onverzadigbare gold niet alleen de echte wereld, maar ook de artificiële. Hockney beschikte over diepgaande kennis van en een onstilbare nieuwsgierigheid naar de kunstgeschiedenis.
Hij analyseerde het werk van bewonderde voorgangers, zoals Van Gogh, Rembrandt, Vermeer, Hobbema en Poussin. Over hun werk en methoden koesterde hij eigenzinnige opinies, zoals opgetekend in zijn boek Secret Knowledge. Door grondige variaties te maken op hun werk, meende hij er dieper in te kunnen doordringen. Verschil tussen oude en hedendaagse schilders maakte hij niet, want ook oude schilderijen, meende hij, werden bekeken met hedendaagse ogen.
Misschien meer nog dan Hockney’s oeuvre is het zijn vitaliteit die uiteindelijk beklijft. De Brit had ons iets te vertellen over onze ogen: laat ze niet onbenut. Ik leid een heel opwindend leven, zei hij ooit tegen Martin Gayford. Om daar direct aan toe te voegen dat hij heel opgewonden kon raken van dingen die anderen misschien onbenullig of gewoontjes zouden vinden.
Het was zijn vermogen om met zijn werk de kijker deelgenoot te maken van die opwinding dat hem waarschijnlijk zo’n geliefde schilder maakte (en maakt). Aangestoken door Hockney’s kunst wordt de wereld voor die kijker net zo’n enerverende plek als die voor Hockney was.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant