David Hockney (1937-2026) | kunstenaar Kijken was leven en leven was kijken voor David Hockney, een van de belangrijkste naoorlogse Britse schilders. Met aanstekelijk enthousiasme zocht hij een leven lang naar nieuwe manieren om de wereld af te beelden.
Schilder David Hockney in het Centre Pompidou in Parijs in 2017, voor zijn schilderij ‘The Arrival of Spring in Woldgate, East Yorkshire in 2011’.
‘End bossiness’, en dan, met typisch hockneysiaanse humor: ‘soon’. Niet direct, dat zou te bazig zijn. De tekst staat op een sticker, geplakt op Hockneys borst, op een recent geschilderd zelfportret in de grote overzichtstentoonstelling in Fondation Louis Vuitton in 2025 in Parijs. Met de sticker, en de button die de echte Hockney in interviews op z’n borst droeg, verzette de schilder zich tegen een Brits rookverbod. Zelfs vanaf één van de toppen van de Olympus van de kunstwereld bleef Hockney vrolijk recalcitrant.
Nog zo’n onvergetelijk Hockney-citaat stond op de gevel van de Fondation: ‘Do remember, they can’t cancel the spring.’ De tekst hoort bij een tekening van een groepje ontluikende narcissen, die Hockney half maart 2020 via Instagram de wereld in stuurde: een hoopvolle boodschap, terwijl de wereld in de ban is van het nieuwe coronavirus. Die digitale tekening – met knapperig groene steeltjes die nog nét niet sterk genoeg zijn voor de knalgele bloemkelken, maar de belofte is er – toont Hockney in essentie. Opbeurend, inventief, en vooral: kunst waar het kijkplezier vanaf spat.
Vrijdag werd bekend dat de Britse schilder David Hockney op 88-jarige leeftijd is overleden.
Altijd hield Hockney (Bradford, 1937) vast aan de figuratie, ook wanneer dat totaal niet in de mode was. Altijd onvermoeibaar geïnteresseerd was hij in het onderzoeken van de waarneming: wat zien we precies? „Kijken is het grootste plezier in mijn leven”, zei hij vaak in interviews. Gretig was hij daarin ook in zijn experimenten met technologie – tot op hoge leeftijd. In de zeventig jaar die zijn carrière omspant, maakte Hockney portretten, landschappen, stillevens in verf, houtskool, polaroid, met kopieermachines, op iPhone en iPad. Hij ontwierp kostuums en decors voor de opera en exposeerde zijn werk vrij recent nog in een digitale immersieve ruimte – met beamerprojecties die de toeschouwer omringen. Bij een andere kunstenaar zou zoiets misschien een gimmick zijn, bij Hockney sloot het aan bij zijn hang naar experiment.
In 2025 was er een grote overzichtstentoonstelling met werken van David Hockney in Fondation Louis Vuitton in Parijs.
David Hockney werd als vierde van vijf kinderen in 1937 geboren in het Noord-Engelse industriestadje Bradford, in de streek Yorkshire. Hij volgde zijn opleiding aan het Royal College of Art in Londen, en werd daar nog bespot om z’n accent, memoreerde hij in een BBC-interview in 2025. „Maar hun tekeningen waren niet zo goed. Als je niet zo goed tekent, dan zou ik maar mijn mond houden.”
Als Hockney in 1962 afstudeert is de dominante trend in beeldende kunst conceptuele of abstracte kunst. Aanvankelijk was Hockney nog beïnvloed door het abstract-expressionisme en maakte hij donkere, rauwe doeken waarop hij ook teksten en verwijzingen naar poëzie schilderde, en waarin ook invloeden van de wilde stijl van Francis Bacon te herkennen zijn, van wie hij gastlessen kreeg.
In een periode waarin homoseksualiteit in het Verenigd Koninkrijk nog illegaal was, schilderde Hockney relaties tussen mannen, zoals het wild geschilderde We Two Boys Together Clinging (1961). Een werk als Two Men in a Shower (1963) zindert van intimiteit en alledaagse erotiek.
Samen met kunstenaars Peter Blake en Richard Hamilton maakte Hockney daarna al snel naam als een van de belangrijke vertegenwoordigers van de Britse pop-art: die is minder dan de Amerikaanse pop-art gericht op massamedia en kapitalisme, maar leent wel de felle kleuren en uitgesproken beeldtaal, voor meer persoonlijke afbeeldingen.
David Hockney, Portrait of an Artist (Pool with Two Figures), 1972.
In 1964 verhuisde Hockney naar Los Angeles. Hij werd er verliefd op het licht. „Het licht is tien keer zo intens in Californië. Daarom is Hollywood daar, vanwege de overdaad aan geweldig licht”, zegt hij in de interviewbundel A Bigger Message (2011) van de Britse kunstjournalist Martin Gayford (met wie Hockney samen tal van boeken publiceerde).
Behalve door het licht werd Hockney nog door iets anders gegrepen: de vele privézwembaden in Californië. „Ik zag overal blauwe zwembaden, en ik realiseerde me dat zwembaden in Engeland een luxe zouden zijn geweest, maar hier waren ze dat niet.” In 1967 schilderde hij het iconisch geworden schilderij A Bigger Splash. Met veel energie en zwierende lijntjes toont hij het opspattend water nadat iemand vanaf de duikplank in het water is gedoken.
Hockney was niet in het zwembad geïnteresseerd vanwege de verbeelding van luxe, maar wegens de visuele uitdaging die het hem als schilder bood. „Ik heb altijd van zwembaden gehouden, van de wiebelende lijnen die ze maken”, zei Hockney in 2017 tegen CNN. „Wanneer je ze fotografeert lijkt het alsof het zwembad bevriest, maar als je schildert kun je wiebelende lijnen maken die wiebelen.”
Hockney schilderde een leven lang onderwerpen uit zijn nabije omgeving – en dus ook de mannen met wie hij een relatie had. Op Peter Getting out of Nick’s Pool uit 1966 is bijvoorbeeld Hockneys geliefde en muze Peter Schlesinger te zien terwijl hij naakt op de rand van het zwembad leunt. Van iets later is Portrait of an Artist (Pool with Two Figures) (1972), dat een man in rode jas toont (opnieuw Peter Schlesinger) die melancholisch in het zwembad staart, waar een onder water zwemmende man bíjna de kant aantikt. Het in frisse kleuren geschilderde werk heeft een zinderende psychologische spanning.In 2018 werd het geveild voor 90 miljoen dollar, op dat moment het duurste kunstwerk van een levende kunstenaar ooit. Hockney gaf in interviews aan niet zo geïnteresseerd te zijn in dit soort kunstmarktrecords: „De eigenaar bezit slechts een stuk beschilderd doek, dat waarschijnlijk vroeg of laat weer van eigenaar zal wisselen. De enige manier om een schilderij te bezitten, is door het te schilderen.”
De uitdaging van het afbeelden van een driedimensionale wereld op een tweedimensionaal vlak bleef Hockney fascineren. Vanaf de jaren tachtig maakte hij grote collageachtige fotowerken, door hem ‘joiners’ genoemd, waarvoor hij tientallen foto’s van eenzelfde onderwerp samenvoegde. Walking In The Zen Garden At The Ryoanji Temple (1983), bijvoorbeeld, bestaat uit een uitgestrekt veld van foto’s van kiezelstenen in een Japanse zentuin, die collage loopt als een spiraal uit naar onderen, waar je in een rij – stap voor stap – Hockneys rode sokken over de vloer ziet lopen. Eén enkele foto kan nooit de werkelijke ervaring evenaren, vond Hockney: een foto geeft altijd maar één moment in tijd en ruimte weer. „Het oog staat nooit stil”, zei hij. „Als het oog stilstaat, dan ben je dood.”
David Hockney in Londen bij zijn werk Studio Interior #4 2014-2015 in 2015.
Dat effect van de samengestelde ervaring creëerde Hockney ook op een werk dat hij maakte nadat hij in 1997 tijdelijk was terugverhuisd naar het Engelse Yorkshire om voor een zieke vriend te zorgen. Meerdere keren per week reed hij dezelfde route, van zijn ouderlijk huis in Bridlington naar het ziekenhuis in York. Weer terug in Los Angeles legde hij de ervaring van de kronkelende wegen op het doek vast: kleurrijke autoritverslagen waarbij alle verschillende uitzichten gelijktijdig zijn afgebeeld. Tijd en ruimte als één samengestelde ervaring.
Hockneys gretigheid in zijn onderzoek naar technieken om de waarneming van de wereld in kunst om te zetten had ook een theoretische insteek. In 2001 publiceerde Hockney het boek Secret Knowledge, waarin hij de controversiële kunsthistorische theorie uitwerkt dat westerse kunstenaars al vanaf de Renaissance allerlei camera-achtige hulpmiddelen gebruikt zouden hebben om zo fotorealistisch te kunnen schilderen. Die theorie is omstreden omdat er geen doorslaggevend bewijs voor is te vinden, en omdat sommigen vinden dat het afdoet aan het ‘meesterschap’ van de grote kunstenaars. Hockney dacht daar anders over: lenzen zijn gewoon gereedschap om de wereld af te beelden. In 2017 publiceerde hij samen met kunstjournalist Martin Gayford het lijvige A History of Pictures, een wereldgeschiedenis van ‘het plaatje’, van grottekening tot iPad-tekening.
David Hockney, The Road Across the Wolds, 1997.
Laat in de jaren negentig verhuisde Hockney terug naar zijn geboortestreek Yorkshire. Daar richtte hij zijn oog op het verstrijken van de seizoenen in het Engelse glooiende landschap. Als een impressionist werkte hij veelal en plein-air, in de natuur, op grote en op kleine schaal. Met olieverf op grote doeken, die hij ook nog aan elkaar verbond, maakte hij bijvoorbeeld reusachtige werken als Bigger Trees Near Warter Or/Ou Peinture Sur Le Motif Pour Le Nouvel Age Post-Photographique (2007): vierenhalve meter bij twaalf meter groot. Maar daarnaast tekende Hockney ook steeds vaker op iPhone en iPad – hij was onder de indruk van de snelheid en het gemak om ermee te werken. „Van Gogh had het geweldig gevonden”, vertelde hij Martin Gayford in A Bigger Message, „Hij had er ook zijn brieven op kunnen schrijven.”
Met zijn kleurrijke en veelzijdige werk was Hockney inmiddels uitgegroeid tot een van de meest populaire hedendaagse kunstenaars wereldwijd. Een groot retrospectief in Tate Britain in 2017 was met bijna 480.000 bezoekers destijds de drukst bezochte tentoonstelling ooit in het Londense museum. Die tentoonstelling reisde door naar Centre Pompidou in Parijs en het Metropolitan Museum of Art in New York. In totaal kwamen ruim een miljoen mensen kijken.
In 2020 verhuisde Hockney naar Normandië voor zijn project The Arrival of Spring: in 116 iPad-tekeningen legde hij nauwkeurig de ontluikende lente vast in zijn tuin en op het Franse platteland. Juist in de beperkingen van dat digitale medium toonde hij nog zijn grote meesterschap: met grijze lijntjes bracht hij treffend een frisse voorjaarsbui tot leven, witte dotjes op het scherm vormen een overtuigende bloesem. Met Hockney meekijken, is béter kijken.
Het tot in het extreme uitwerken en uitdenken van de uitdagingen die je tegenkomt wanneer je een driedimensionale wereld tweedimensionaal afbeeldt, bleef Hockney tot op hoge leeftijd fascineren. Soms met absurde resultaten. In 2017 maakte Hockney Tall Dutch Trees After Hobbema (Useful Knowledge), zijn interpretatie van het schilderij Laantje van Middelharnis van de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilder Meindert Hobbema.
„Wat ik zo fascinerend aan het schilderij vind, is dat het twee verdwijnpunten heeft. Eentje is in het midden van het schilderij, aan het eind van de uit het zicht verdwijnende weg. Het andere is in de lucht”, zei Hockney in een interview met The New Yorker, dat het schilderij op de cover plaatste. In zijn bewerking trok Hockney de logica van dat dubbele verdwijnpunt tot in het extreme door. Hij werkte op een afwijkend gevormd schildersdoek, waarop hij ieder perspectief een eigen paneel gaf. Het geeft Tall Dutch Trees een bizarre vorm: links en rechts twee panelen voor de lucht, eronder uitgerekte panelen die het uitzicht langs de zijkant van het weggetje moeten verbeelden, hoekig en scherp gesneden.
Het resultaat is als een kijkdoos die is opengevouwen en platgedrukt, of als een futuristisch ruimteschip met Hollands landschap als opdruk. Een wonderlijk experiment, met een bijna absurd resultaat. Maar precies daar was Hockney groots in. Hij kon je aandachtig naar iets laten kijken – opspattend water, een bosje narcissen, een bekend schilderij, misschien zo bekend dat je ernaar vergeet te kijken – en het dan openklappen, en je zo laten zien hoe bijzonder het eigenlijk is. Kijken, wat een plezier.