Tentoonstelling Aan het begin van de twintigste eeuw reisde kunstenaar Isaac Israels door Europa: zelfs door de Eerste Wereldoorlog liet hij zich niet tegenhouden. Zijn werk geeft een beeld van hoe de mondaine elite van het goede leven genoot.
Isaac Israels, ‘Op het strand van Viareggio’, 1923-1929.
Zwieren in een Parijse draaimolen. Een pijp roken met uitzicht op de Zwitserse Alpen. Met het hele gezin onder de parasol op een Italiaans strand. Wie deze zomer door de kleurrijk vormgegeven tentoonstelling Het Europa van Isaac Israels in Museum Kröller-Müller in Otterlo loopt, krijgt een vrolijk, ontspannen beeld van het Europa aan het begin van de twintigste eeuw: als een zalig luilekkerland voor mondaine burgers.
Niets aan de hand, het goede leven.
Het Europa van Isaac Israels, t/m 30/8, Museum Kröller-Müller, Otterlo. Info: krollermuller.nl
Israels, bekend van z’n impressionistische Amsterdamse straattaferelen en de artistieke rivaliteit met bevriende collega-schilder George Hendrik Breitner, was een bijzonder reislustige kunstenaar. Als zoon van de internationaal gevierde schilder Josef Israëls (de trema haalde Isaac uit z’n naam om zich te onderscheiden) en de belezen Aleida Israëls-Schaap hoorde hij van kinds af aan bij de rijke, intellectuele elite. Bij hun thuis kwam veel internationaal en belangrijk bezoek: van kunstenaars en mecenassen tot aan koningin Sophie – maar zelf reisde het gezin er ook flink op los. Z’n moeder was daarin een drijvende kracht: zij was ervan overtuigd dat je echte kennis niet op school opdoet, maar in de wijde wereld en in boeken.
Museum Kröller-Müller toont deze zomer een uitgebreid overzicht van de werken die Israels maakte tijdens en naar aanleiding van zijn reizen aan het begin van de twintigste eeuw. De expositie opent met een vroege reis van Israels naar de Belgische Borinage: net als Vincent van Gogh enkele jaren eerder, is hij door schrijver Émile Zola geïnspireerd om daar het zware leven van de mijnwerkers vast te leggen. Daarna, zie je in de expositie, verschuift zijn blik naar het mondaine leven. En misschien wel het meest opvallend: de Eerste Wereldoorlog schittert in Israels werk door afwezigheid.
Isaac Israels, ‘Draaimolen Montmartre’, jaartal onbekend. (48 cm x 62,0 cm)
Ondanks zijn impressionistische penseelstreken zijn de schilderijen van Israels vaak wat stijfjes en qua compositie braaf. Hij had weinig nodig om een mooie scène neer te zetten, maar echt spetteren doen de schilderijen zelden. Gelukkig heeft de tentoonstelling in Kröller-Müller een belangrijke troef. Dat zijn de vele schetsboekjes en aquarellen die Israels tijdens zijn reizen naar Parijs, Londen, Bern en later Florence, Rome, Viareggio maakte.
Met name die aquarellen blinken uit in sfeer, en hebben een vrije en trefzekere stijl. Juist dit meer spontane, experimentele werk heeft de tand des tijds beter doorstaan. Op digitale schermen in de tentoonstellingsruimte kun je door de notitieblokjes bladeren, waardoor het voelt alsof je over Israels schouder meekijkt terwijl hij de van het goede leven genietende Europese elite observeert.
Maar zo vrolijk was het natuurlijk allemaal niet. Het begin van de twintigste eeuw in Europa was óók de tijd van toenemend antisemitisme, nationalisme, fascisme, en uiteindelijk de Eerste Wereldoorlog. Alleen die lelijke kant krijg je niet te zien. Terwijl Israels er wél mee werd geconfronteerd. Tijdens een bezoek aan Parijs voor de wereldtentoonstelling van 1900 schrijft hij aan de bevriende schrijver Frans Erens: „Het is waar dat je je hier een vreemdeling voelt. Maar in Nederland is het ook niet veel beter.”
Isaac Israels, ‘In het Bois de Boulogne bij Parijs’, ca. 1906.
Isaac Israels, ‘Londens straattafereel bij regenweer’, 1913-1920.
Bij het uitbreken van de Grote Oorlog op 28 juli 1914 komt Israels enige tijd vast te zitten in Londen, waar hij een atelier huurt. Een noodreisdocument – tot het begin van de oorlog zijn reisdocumenten niet vereist in Europa – zorgt ervoor dat hij weer kan reizen. Toch blijft Israels in Londen totdat daar ook zijn vergunning om op straat te schilderen wordt ingetrokken. In Nederland kan Israels niet lang blijven: hij heeft een zogeheten ‘forenzenstatus’, waardoor hij tegen een belastingvoordeel maximaal 90 dagen in Nederland mag verblijven.
Ondanks de oorlog reist hij vervolgens via Duitsland naar het neutrale Zwitserland en later naar Parijs. Daar ziet hij wat de oorlog met de Franse hoofdstad doet: „Het is wel een vreemd Parijs nu, haast zonder vreemdelingen, zonder theater, alle cafés ’s avonds half elf potdicht en straten donker”, schrijft hij in 1915. Via Londen reist Israels vervolgens terug naar Den Haag, waar de oorlog hem alsnog langere tijd op z’n plek houdt.
Isaac Israels, ‘Berner Kellnerin’, 1915.
Nadat in juni 1919 het Verdrag van Versailles is getekend, hervat Israels zijn reizen, maar die krijgen een meer incidentele aard: hij is tien dagen in de Deense hoofdstad en schetst in het Zwitserse Pontresina prachtige plaatjes van wandelaars langs het Alpenmeer. Aan het slot van de tentoonstelling komen misschien wel de mooiste werken: heerlijk los gepenseelde toeristische aquarellen van Florence, Rome en de Italiaanse stranden.
Je kunt je afvragen wat je moet met een expositie vol beelden van het goede leven aan het begin van de twintigste eeuw, als daarop de belangrijke geopolitieke ontwikkelingen uit die tijd grotendeels onzichtbaar blijven. Maar daarin schuilt ook de betekenis: Het Europa van Israels toont de impressies van een vroege kosmopoliet, een vroege Europeaan. Een nieuwsgierige en reislustige inwoner van een continent met landen die in al hun veelzijdigheid misschien wel meer op elkaar lijken dan ze zich realiseren.
Isaac Israels, ‘Gezicht op Rome’, 1923-1928.