Het Europese asiel- en migratiepact treedt vandaag in werking in alle EU-lidstaten, waaronder Nederland. Het pact moet het aantal mensen dat zonder geldige papieren de Europese Unie binnenkomt terugdringen en zorgt voor snellere en strakkere procedures voor asielzoekers. Daarmee hopen Brussel en Den Haag meer grip te krijgen op wie Europa binnenkomt en wie uiteindelijk mag blijven.
Voor Nederland betekent het pact dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) anders gaat werken. Asielverzoeken moeten voortaan in principe binnen zes maanden zijn afgehandeld, terwijl dat nu vaak tot twee jaar duurt. Om dat te halen, voert de IND een versimpelde werkwijze in: asielzoekers vullen eerst zelf een vragenlijst in op een tablet, er zijn geen verplichte medische onderzoeken meer en wie het niet eens is met een afwijzing moet direct naar de rechter stappen.
Die nieuwe aanpak raakt ook asielzoekers die al in Nederland op een beslissing wachten. Om te voorkomen dat er meteen weer grote achterstanden ontstaan, krijgen mensen die vanaf vandaag een aanvraag indienen voorrang op lopende zaken. Dat zorgt ervoor dat asielzoekers die al in procedure zijn juist langer moeten wachten; het kabinet wil die wachttijd beperken tot maximaal drie jaar. Los van het Europese pact voert Nederland daarnaast het tweestatusstelsel in, waarmee verschillende groepen vluchtelingen een andere verblijfsstatus kunnen krijgen.
Wat dit alles betekent voor het aanmeldcentrum in Ter Apel is nog onzeker. In theorie zou de druk moeten afnemen, omdat asielzoekers hun procedure vooral aan de buitengrenzen van de EU gaan doorlopen, zoals in Griekenland, Cyprus, Italië of Spanje. Nederland heeft met Schiphol wel een buitengrens, maar daar melden zich relatief weinig mensen met een asielverzoek, waardoor de effecten voor Ter Apel voorlopig lastig te voorspellen zijn.
Aan de buitengrenzen krijgen asielzoekers voortaan te maken met snelle, verplichte grensprocedures. Zij worden eerst gescreend op veiligheid, hun gegevens komen in een Europese databank en daarna wordt ingeschat of ze een reële kans maken op bescherming. Wie volgens die eerste beoordeling weinig kans heeft, belandt in een versnelde procedure van maximaal twaalf weken in gesloten centra; bij afwijzing moeten zij terug naar hun land van herkomst.
Een oud principe krijgt daarbij opnieuw gewicht: het land waar iemand de EU binnenkomt, is verantwoordelijk voor de asielprocedure, en andere lidstaten mogen mensen daarheen terugsturen als zij zijn doorgereisd. Grenslanden weigerden dat de afgelopen jaren vaak, omdat zij zich overbelast voelden. In ruil voor hernieuwde verantwoordelijkheid moeten andere EU-landen nu helpen, bijvoorbeeld door asielzoekers over te nemen of financiële steun te geven. Nederland kiest voor geld, terwijl landen als Duitsland migranten willen herplaatsen. De vraag blijft wel of genoeg landen bereid zijn grensstaten te ontlasten en of uitgeprocedeerde asielzoekers straks echt kunnen worden teruggestuurd, want veel landen van herkomst nemen hun inwoners nu nauwelijks terug.
Ter illustratie (Afbeelding: Grok AI / FOK.nl)
Source: Fok frontpage