Ik denk dat ik aan geheugenverlies lijd. Niet van feiten, maar van emoties. Dat realiseer ik me wanneer ik luister naar de openbare verhoren bij de parlementaire enquête naar de aanpak van de coronapandemie. Nu de hoofdpersonen aan het woord zijn, kijk ik er toch weer met enig ongeloof naar. Wat hebben we in vredesnaam allemaal met elkaar doorstaan?
De jongeren, die maanden achtereen thuis zaten, hunkerend naar sociale zuurstof. Tegelijkertijd de ouderen die letterlijk hapten naar zuurstof, en die bij bosjes bezweken aan het virus. De samenleving die uit elkaar werd gespeeld door onmogelijke dilemma’s waarin de één zijn vrijheid de ander zijn dood betekende. Alleen al de duizenden hartpatiënten die overleden omdat ze niet op tijd gedotterd werden. Of al die mensen die door het virus op de grond werden gesmeten en niet meer helemaal opkrabbelden.
Het overheersende gevoel bij mij en vele anderen is dat de samenleving, de offline samenleving bedoel ik, nooit meer helemaal de oude werd. Minder mensen in kerk, sjoel of moskee, in de kantine of op kantoor, in de trein of in de bus op weg ernaar toe. Minder mensen die ergens lid van zijn, of überhaupt aanwezig, letterlijk en figuurlijk. Of die mbo-school (waarover ik hoorde) die niet meer standaard vraagt naar hobby’s bij de kennismaking met een nieuwe lichting, omdat veel jongeren het antwoord op die vraag niet weten.
Bij de enquête hoor ik dezelfde mensen dezelfde dingen herhalen. Ik had vooral gehoopt op persoonlijke reflectie van de wetenschappers. Maar Jaap van Dissel en Marion Koopmans verschansen zich achter een academische façade, en verdedigden de besluitvorming en de extra onderzoeken in plaats van extra maatregelen. Bijna machinaal hielden ze vast aan het proces, alsof zij zelf niet voortdurend in al die keuzes – wie, wat, waar, wanneer en hoe – menselijke inschattingen en fouten maakten.
Wat ik miste, was hun reflectie op de onmogelijke positie die ze hadden bekleed. Om als expert te adviseren te midden van onzekerheid, wetende dat de regering de adviezen vaak vrijwel ongewijzigd zou overnemen, wetende dat er verkeerde aannames en dus beslissingen tussen zouden zitten. Maar altijd integer met het doel om Nederland zo goed mogelijk door de crisis te loodsen.
Terwijl ik luister, realiseer ik me ook hoe ik zelf ben veranderd. Dat de afstanden groter zijn geworden. Dat komt omdat ik voortdurend last houd van de gekmakende gedachte dat al die verschillende vormen van lijden die corona bij miljarden mensen wereldwijd veroorzaakte, misschien voorkomen hadden kunnen worden als microbiologen geen risicovolle experimenten met virussen met pandemisch potentieel zouden hebben uitgevoerd. Ik vind het nog steeds absurd om op te schrijven, te groot om volledig te bevatten, dat de pandemie mogelijk door een labongeluk is veroorzaakt.
Maar het is wel aannemelijk. Afgelopen week verscheen weer een bevestiging dat dit soort ongelukken écht gebeuren. Terwijl in Den Haag een hoge ambtenaar werd verhoord over het besluit om verpleeghuizen te sluiten voor bezoek en daarmee kwetsbare mensen in hun laatste levensfase de nabijheid van hun geliefden te ontzeggen, verscheen bij de Volkskrant een onderzoeksartikel over een heel andere virusuitbraak. Het mond-en-klauwzeervirus bij koeien in de Noordoostpolder in de jaren tachtig. Wetenschapsjournalist Enith Vlooswijk onthulde dat die uitbraak geen noodlottige pleuris was, zoals recent nog met hanta, ebola en influenza, maar een lablek uit het nabijgelegen Centraal Diergeneeskundig Instituut in Lelystad. Virusbestrijding had het tegenovergestelde tot gevolg: een uitbraak.
Marion Koopmans verwees de mogelijkheid van een lablek bij de enquêtecommissie nog maar weer eens naar het rijk der fabelen. Of, beter gezegd: het rijk van de Amerikaanse politiek (wat daar toch veel op lijkt). En door de lablektheorie heb ik ook de nieuwe ervaring hoe het is om iets te geloven dat niet tot de wetenschappelijke consensus behoort. Het is een gevoel van verlies, van een groeiende afstand.
Dat is nog een gevolg van corona dat nog aan bod moet komen bij de enquête. Het verlies van een heel contingent burgers dat is afgedreven, maar ook werd weggeduwd – ik heb me daar ook schuldig aan gemaakt – omdat hun overtuiging niet strookte met de wetenschappelijke consensus. Het lijkt bijna een feitenspelletje: gelijk of ongelijk, wetenschap versus wappie, maar in werkelijkheid is het een kwestie van botsende wereldbeelden.
Aan de parlementaire enquêtecommissie de reusachtige taak om aan waarheidsvinding te doen, te begrijpen en verantwoordelijk te houden, en in dat proces ook te verzoenen. Ik hoop van harte dat alle betrokkenen, inclusief de wetenschappers, dat als gezamenlijke opdracht omarmen.