Home

Met een paar goede bedoelingen is de muur tussen voormalige kolonisator en gekoloniseerde niet weg

Koloniale geschiedenis In de Caraïben ligt koloniaal schuldgevoel op de loer. Hoe gedraag je je als westerling in een voormalige kolonie en wat vinden de nazaten van slaafgemaakten daarvan?

Toeristen aan het strand bij Jan Thiel Beach op Curaçao.

Anton Stolwijk: Nederlanders groeten niet. Een boek over Curaçao. De Geus, 349 blz. € 22,99

Hoe gedraag je je als westerling in de voormalige gekoloniseerde wereld? Het is een probleem waar mijn tante Marie nooit last van had. Aan mijn arm stapte zij – ooit zelfbenoemde missie-werkster in Kenia – in de jaren zeventig op hoge leeftijd door de wildernis, gewapend met tassen kleine geschenken, op weg naar een verzameling hutten. Ter plekke straalde zij van oor tot oor toen bleek dat de vrouwen haar tien jaar later nog herkenden en haar naam – ‘Maria, Maria!’ – riepen, terwijl zij in het Nederlands zachtjes begon te prevelen dat goed doen haar lust en leven was („Ik doe zo graag goed” waren haar letterlijke woorden). Mijn tante was, oneerbiedig gezegd, een product van de koloniale tijd, onwetend, heilig onnozel, opgegroeid met het algemene gevoel van meerderwaardigheid waarvan ze zich niet bewust was omdat het te gewoon was.

Jamaica Kincaid: Zo’n klein eiland. (A Small Place) Vert. Janneke van der Meulen. De Geus, 111 blz. € 15,-

De superieure blik is het onderwerp van twee recent uitgekomen boeken. In het ene beschrijft een Nederlandse journalist de reflex van witte toeristen en gevestigde ingezetenen op Curaçao. In het andere onderzoekt een Antiguaanse-Afro-Amerikaanse schrijfster de aard en de gevolgen van selectieve observatie op haar eiland. Twee boeken, kortom, ver voorbij de geïnternaliseerde kijk van de generaties voor en van mijn tante. En de vraag is uiteraard of we nu anders, bewuster van onze visuele koloniale erfenis, waarnemen.

Het verhaal over ‘ons’ eiland, is geschreven door Anton Stolwijk, die eerder over ‘de vergeten oorlog’ op Atjeh schreef als Nederlandse Atjeh’er met de Atjeh’ers. Ditmaal stelt hij zich bewust naïef op, als toerist met de toeristen, alsof hij van niets weet, om te ervaren of de Nederlander van nu qua inzichten verder is gekomen dan mijn tante. Hij ziet ladingen vaderlanders uit cruiseschepen komen en in eigentijdse koloniale uniformen – op z’n Gerard Jolings in bloemetjesboxers en shirts – rond paraderen, selfiesticks in de aanslag op zoek naar een exotische cocktail.

Ze zijn altijd van verre te horen en doen alsof het eiland van hen is. Maar er zijn ook andere vaderlanders. Zo is er de meneer, die hem voorhoudt dat de niet al te smakelijke cactussoep een culturele verworvenheid uit de slavernijtijd is. Hij woont al een hele tijd op Curaçao, en geeft de auteur een preek dat hij als witte Nederlander „niet even hier moet komen vertellen hoe het zit.” Stolwijk zelf blijkt tot eigen schrik en schaamte ook af en toe last te hebben van die betweterij over de geschiedenis van een ander, als hij een andere witte eilander verbetert dat hij toch echt ‘tot slaaf gemaakten’ moet zeggen.

Koloniaal schuldgevoel

Dit soort observaties van andermans en eigen bijna automatische reacties op een plek waar het koloniale schuldgevoel op de loer ligt, maken dit boek bijzonder. Superioriteit, zo blijkt, uit zich in de toe-eigening van een verleden. Het zijn dergelijke subtiele momenten waarop de bevindingen van de auteur de opmaat vormen tot meer pijnlijke inzichten, die de lezer scherper laten kijken. Zo komt hij erachter dat de Nederlanders zwarte en gekleurde eilandbewoners nauwelijks een blik waardig achten, vertelt dat geschrokken aan zijn gastvrouw, die hem vervolgens fijntjes uitlegt, dat die witte landgenoten van hem „wel groeten, maar alleen elkaar”. Wanneer hij zich erover beklaagt dat niemand hem de weg wil wijzen naar een onvindbare boekhandelaar is ook zij het die hem duidelijk maakt dat je op Curaçao eerst vraagt naar kinderen en familie als je iets gedaan wilt krijgen. „Er is een muur” tussen jullie en ons, en „die is niet met een paar goede bedoelingen weg”, zegt ze.

Hij zal nog vaak op die muur stuiten. Bijvoorbeeld als hij de gevoeligheden van de geschiedenis ontdekt (die hij natuurlijk wel degelijk kent, maar de opzet van zijn boek vereist gespeelde onkunde). Zo vindt zijn op het eiland geboren en getogen gids het in eerste instantie „een beetje arrogant” dat hij „een heel boek over ons” meent te kunnen schrijven, na een verblijf van een paar weken. Maar uiteindelijk wil deze gids hem graag alles vertellen over de opstand tegen de slavernij van Tula in 1716. Samen staan ze op de plek waar de vermoorde leider zijn laatste veldslag verloor, geen monument, maar een dure villawijk voor rijke Nederlanders. Het laat zien „hoe ze op Curaçao schijten op de geschiedenis”, aldus de gids.

Jamaica Kincaid, een grande dame in de literatuur over kolonialisme en racisme met verscheidene romans op haar naam, schrijft over het eiland Antigua dat tot 1981 Brits was en dat zich net als Curaçao laat omschrijven als een voormalig wingewest. Zij verruilde het op zeventienjarige leeftijd voor New York, waar zij als au pair ging werken, en werd na enkele omwegen schrijfster. Haar heruitgegeven boek uit 1988 over haar geboorteplek telt een kleine honderd bladzijden, maar wat een boek!

De boosheid over hoe haar eiland is verwoest door het toerisme spat van de pagina’s. Er is woede over de Engelse prinses Margaret die niet verder mocht met een getrouwde man en „om hem te vergeten naar ons toe werd gestuurd” en waarvoor de schrijfster samen met andere jonge meisjes allerhande kunstjes en dansjes moest doen, over „een Engelse dame die Antiguanen alleen als bedienend personeel kan velen” en over de corruptie ter plekke, een nagebootste erfenis, een cadeau van de voormalige overheersers.

Evenzo maakt ze zich kwaad om de toeristen als „een verschrikkelijk slag mensen”, en om de mooie vervallen oude bibliotheek, waar zij als meisje naartoe vluchtte, die niet hersteld kan worden omdat op die plek een centrum met leuke boetiekjes moet komen. Haar persoonlijke essay is een scherpe aanklacht. Het kolonialisme en de eigentijdse verschijningsvorm ervan, het toerisme, schrijft ze, is een „Europese ziekte”. De vroege Europeanen gebruikten hun „hebzucht en machtswellust om hun eigen ellendige bestaan thuis te vergeten”. Eeuwen later doen toeristen in hun voetspoor een en ander nog eens dunnetjes over.

Maar hoe zit het ondertussen met tante Marie en de superieure koloniale blik? De bordjes zijn inmiddels verhangen. Voor goeddoeners (die deel waren van een systeem dat ook veel schade aanrichtte) als mijn tante zijn toeristen in de plaats gekomen die willen genietuuhhh – en een enkele schuldbewuste wijsneus. Maar of het gevoel van superioriteit, ondanks alle kennis over slavernij en misstanden is gekrompen, valt na lezing van beide boeken te betwijfelen. De toerist is de nieuwe koloniaal.

Caribisch gebied

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next