Twee ondernemers sloten renteswaps af in de verwachting dat de rente zou stijgen. De bank rekende wél op een daling, maar zei dat niet. Schending van de zorgplicht? Niet volgens het Amsterdamse hof. De Hoge Raad ziet het toch iets anders. Het gerechtshof in Den Haag gaat de zaak opnieuw bekijken.
Twee horecaondernemers hadden bij Deutsche Bank langlopende leningen van tientallen miljoenen met een variabele rente. In 2005 sloten ze renteswaps af: je gaat als klant een vaste rente betalen en de bank betaalt je de variabele rente terug. Je profiteert dan niet meer van rentedalingen, maar bent wel beschermd tegen (verdere) renteverhogingen.
Swapcontracten staan los van de lening en ontwikkelen tijdens hun looptijd een eigen waarde. In september 2007 tipte de bank de ondernemers: jullie swaps hebben een positieve waarde. En in januari nog eens: ze zijn positief, maar ze zakken wel. De ondernemers beëindigden de renteswaps nog diezelfde maand voortijdig, en ontvingen negen ton.
Nog geen half jaar later sloten de ondernemers opnieuw een renteswap af, voor tien jaar. Naar hun zeggen op advies van Deutsche Bank, die hun vertelde dat de rente zou gaan stijgen.
Na de looptijd verweten de ondernemers de bank dat die tien jaar geleden níét vertelde dat zij volgens een interne ‘rentevisie’ verwachtte dat de rente eerst nog verder zou dalen. De ondernemers beriepen zich op dwaling en stelden dat de bank haar zorgplicht had geschonden. Ze vorderden vernietiging van de swap en schadevergoeding.
De ondernemers kregen in twee instanties ongelijk. Volgens het gerechtshof Amsterdam hoeft een bank bij het aangaan van een renteswap haar renteverwachtingen niet te delen, tenzij er bijkomende omstandigheden zijn. Die waren er volgens het hof niet. De ondernemers stapten naar de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt net als het gerechtshof dat de informatieplicht van de bank niet zo ver gaat dat ze bij een renteswap altijd haar verwachtingen over de renteontwikkeling moet delen. Maar anders dan het hof ziet de Hoge Raad in dit geval wel ‘bijkomende omstandigheden’, nu de ondernemers zeiden dat zij op advies van de bank de eerste swap hadden beëindigd en kort daarop de nieuwe hadden gesloten, waarbij hun was voorgehouden dat de rente zou gaan stijgen.
Ook had het gerechtshof volgens de Hoge Raad moeten ingaan op de vraag of de bank in strijd had gehandeld met de zorgplicht die een bank heeft vanwege haar maatschappelijke functie en deskundigheid. Die zorgplicht kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, van een bank vergen dat zij klanten zonder specifieke deskundigheid waarschuwt voor risico’s.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, waar de ondernemers gelegenheid krijgen te bewijzen dat ze op advies van de bank handelden.
„Met een renteswap ruil je de variabele rente op een lening om voor een vaste rente. Stijgt de rente, dan kun je fors verdienen aan de verkoop van een swap, maar in de kredietcrisis van 2008 bracht het mensen in financiële problemen”, vertelt Marnix Wallinga, universitair hoofddocent financieel recht aan de Universiteit Leiden. „De rente daalde enorm, waardoor swaps een sterk negatieve waarde kregen. En de vaste renteverplichting onder het aparte swapcontract loopt door, ook als je moet inkrimpen en de lening eerder aflost. De AFM constateerde dat veel banken steken hadden laten vallen bij de dienstverlening over rentederivaten. Er kwam een Herstelkader Rentederivaten, om te bepalen of klanten in aanmerking kwamen voor vergoeding. Veel klanten kregen op basis daarvan al compensatie.”
Dat het gerechtshof in dit geval concludeerde dat de bank interne renteverwachtingen niet hoefde te delen, kan te maken hebben met het feit dat de ondernemers aan hun eerste swaps hadden verdiend, denkt Wallinga. „Dat wordt expliciet benoemd. De gedachte kan dan zijn: het hoort erbij dat het ook anders kan uitpakken. Maar volgens de ondernemers is hier een verkeerde voorstelling van zaken gegeven: de bank heeft de indruk gewekt dat de rente zou stijgen en niets gedeeld over haar eigenlijke verwachting dat de rente zou dalen. Volgens de Hoge Raad is het hof te kort door de bocht gegaan en is onvoldoende aandacht besteed aan de omstandigheden van dit concrete geval.”
De ondernemers beriepen zich ook op de zorgplicht van banken, die kan betekenen dat een bank een waarschuwingsplicht heeft. Wat de Hoge Raad daarover zegt, doet in de financieel-juridische wereld stof opwaaien, vertelt Wallinga. De Hoge Raad sprak altijd over de ‘bijzondere zorgplicht’ van banken. Nu staat er: „de bancaire zorgplicht die op een dergelijke professionele aanbieder rust in verband met zijn maatschappelijke functie en deskundigheid (in de rechtspraak van de Hoge Raad eerder ook wel aangeduid als bijzondere zorgplicht).”
Wallinga: „De oude formulering kon duiden op een verdergaande zorgplicht voor een bank alleen omdát het een bank is, en daar deden bankklanten veelvuldig een beroep op. In de nieuwe formulering zou je kunnen lezen dat de zorgplicht niet per definitie zwaarder is omdát het om een bank gaat. De inhoud van die zorgplicht hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder de maatschappelijke functie en deskundigheid van de bank, tegenover het gebrek daaraan bij de klant. Of een bank bijvoorbeeld moet waarschuwen, kan dan per geval verschillen.”
Als de Hoge Raad dat bedoelt, had hij dat dan niet wat duidelijker kunnen zeggen? Wallinga: „Taal kan een voorzichtige kentering weergeven. Maar” – lachend – „het is goed mogelijk dat we over vijf jaar vaststellen dat we er veel te veel in hebben gelezen. Dat zou niet de eerste keer zijn.”
Uitspraak: Hoge Raad, 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:793
Deze rubriek belicht wekelijks rechterlijke uitspraken met economische gevolgen voor mensen of bedrijven