Home

De eindeloze rijkdom van de oude Egyptische verhaalcultuur

Hans Schneider | egyptoloog De belangrijkste teksten uit drieduizend jaar Egyptische geschiedenis zijn vertaald in één machtig boek: 900 pagina’s vol sprookjes, spreuken, hymnen en liefdesgedichten. „Je weet ongeveer wat er staat, maar je moet verdomd goed kijken.”

Beeld van een schrijver, uit Sakkara, 5de Dynastie (ca. 2400 v.Chr.).

Altijd maar die piramides. En natuurlijk dat eeuwige graf van Toetanchamon. Waren die Oude Egyptenaren dan echt alleen maar met dood en hiernamaals bezig? Hans Schneider veert op. Nee! „Dat is wat iedereen denkt, dat die Egyptenaren de dood vereerden. Dat is echt onzin. Ze hielden juist van het leven! In het oude Egypte waren er ook ontkenners van dat leven na de dood. Sceptici die zeiden: nou, er is nooit iemand teruggekomen uit het paradijs om te vertellen hoe het is. Er is helemaal geen hiernamaals.”

Hans Schneider.

Het oude Egypte is veel meer dan graven en tempels, en nergens blijkt dat duidelijker dan uit de omvangrijke Egyptische literatuur die is overgeleverd uit drieduizend jaar geschiedenis. In zijn zonnige appartement in Oegstgeest, dat verrassend weinig Egyptische kunst bevat, vertelt de Hans Schneider (1939) over wat misschien wel zijn levenswerk is. Hij heeft de belangrijkste teksten uit de Egyptische woestijn vertaald en verzameld in een onlangs verschenen, machtig werk: Schrijven voor de farao. Dertig eeuwen Oudegyptische literatuur. Bijna 900 pagina’s dik. Sprookjes, scheppingsverhalen, brieven van Nijlschippers, hymnen aan de goden, spreuken, pluimstrijkerijen aan de farao, liefdesgedichten, beschouwingen over het schrijverschap, weeklagingen voor de doden, ambtenarenrapporten, een logboek van een piramidebouwer en wat al niet?

Zesentachtig is Schneider, maar bijzonder actief en het is ook niet moeilijk om de beweeglijke egyptoloog te tutoyeren. Conservator en directeur was hij van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, en hoogleraar in dezelfde stad. En nu heeft hij dus Egyptische teksten verzameld en vertaald, 196 hoofdstukken in totaal.

Beeld van Hatsjepsoet, uit Deir el Bahri.

Dubbelbeeld van Maya en Meryt, uit hun graf in Sakkara, 18de dynastie (1550-1292 v.Chr.)

De bundel begint met het ruim vierduizend jaar oude scheppingsverhaal uit de piramides van Sakkara. De zonnegod Atoem, die oprees „hoog op de oerheuvel”, spuwde daar de god van lucht en licht uit en hoestte Tefnoet op, godin van de vochtigheid.

En helemaal aan het eind van de serie vertaalde Schneider een op papyrus overgeleverde brief van bijna drieduizend jaar later, uit 430 n.Chr., van bisschop Appion van Syene, aan de toenmalige Romeinse keizers. De bisschop vraagt om militaire bescherming, „omdat ik mijzelf met mijn kerken te midden van die meedogenloze barbaren bevind”. Bijzonder is dat op de overgeleverde papyrus een door keizer Theodosius zelf in het Latijn genoteerde heilswens bevat: „Bene valere te cupimus” (wij wensen U een goede gezondheid). Of bisschop Appion de gevraagde soldaten kreeg is niet bekend.

Hoe lang ben je met dit vertaalwerk bezig geweest?

„Zesenhalf jaar, en dan zo’n zes à acht uur per dag. Ik heb dit al heel lang willen doen, maar naast een werkzaam leven als directeur en hoogleraar lukt dat niet. Een mooie tijdsbesteding was het, zeker tijdens corona! Alleen al met de keuze van de teksten was ik een half jaar bezig. Er is zoveel. Ik heb in ieder geval de echt klassieke teksten en ook de teksten die vaak in andere bloemlezingen staan en nog een paar extra natuurlijk. In het Nederlands bestond zo’n collectie nog niet. Nu het klaar is, wil ik naar de Koptische literatuur gaan kijken, uit de latere tijd van Egypte.”

En dus allemaal opnieuw vertaald uit de originele bronnen?

„Jazeker! De tekst maakte ik op een grote computer. En dan had ik een kleintje waarmee ik de teksten projecteerde. Hiërogliefenschrift en ook de varianten ervan, het hiëratisch en het demotisch. Vooral hiëratisch was bij mij een beetje weggezakt. Dat is een cursief hiërogliefenschrift. Ongeveer zoals jij je eigen handschrift hebt en ik het mijne. Snelschrift, dat is moeilijk hoor. Je weet ongeveer wat er staat, maar je moet verdomd goed kijken. Vooral al die verbindingen, ligaturen, tussen de hiërogliefjes. Maar goed, ik heb het toch wel aardig opgehaald.”

Een voorbeeld van hiëratisch schrift.

Als je de hiërogliefen leest, zeg je dan de tekst ook op in gedachten, in het Egyptisch dus?

„Ja, maar we weten niet hoe het echt uitgesproken is. Net als in het Arabisch en het Hebreeuws zijn er geen vocalen, geen klinkers. Als hulpmiddeltje vul je dan maar wat in. Meestal een ‘e’ of zo. Dus nfr wordt nefer. Dat is het woord voor schoonheid. Dat zit ook in de naam Nefertiti, de beroemde vrouw van farao Achnaton. En dan is de Egyptische taal natuurlijk ook nog geëvolueerd. Het oudste Egyptisch scheelt met het jonge Egyptisch zoals het Latijn van het huidige Frans.”

Wat is je favoriete verhaal in de collectie?

„Oh, moeilijke vraag. Ik denk de biografie van Sinoehe, de man die vlucht naar Kanaän nadat de farao wordt vermoord. Hij raakt in paniek, waarschijnlijk omdat hij bang is dat hij van de moord verdacht zal worden. In de Levant wordt hij dan een soort stamhoofd, waar hij van alles meemaakt. Uiteindelijk gaat hij weer terug om in Egypte te sterven. Eeuwenlang was het een klassieke tekst voor alle Egyptenaren, opgeschreven in het Middenrijk [ca. 2000-1750 v.Chr.].”

En dat vind je leuker dan het verhaal van de twee broers?

„Nou, die twee broers zijn ook fascinerend! Het begint al met een vrouw die een man verleidt. Dat is het leven natuurlijk. Ja, die staat bij mij ook bovenaan.”

Een reliëf uit een graf in Sakkara, 18de dynastie (1550-1292 v.Chr.).

En dat verhaal is zo knettergek! Dan verandert die ene broer ineens in een boom en later groeit hij weer terug uit twee druppels bloed. Wat was voor de Egyptenaren de betekenis van zulke verhalen?

„Van het verhaal over Sinoehe die Egypte verlaat, is de betekenis wel duidelijk, dat gaat over de superioriteit van de Egyptische manier van leven. Maar die twee broers? Met die broer die een stier wordt en dan ook nog eens geslacht moet worden? Ik denk dat de Egyptenaren daar dezelfde vragen bij hebben gehad als wij. Een geweldig verhaal, maar zo vreemd inderdaad. Ik denk dat het oorspronkelijk een mythe is geweest, over twee goden. En uiteindelijk is de boodschap dat het kwaad bestraft moet worden. Maar al die fantasie waarmee het gepaard gaat is natuurlijk wat anders.

„Ik ben ook een fan van de wijsheidsteksten. Die werden door de Egyptenaren zelf beschouwd als de belangrijkste literatuur. Dat zijn spreuken, onderwijzingen, klachten en ook dialogen over de principes van maät: waarheid en rechtvaardigheid. Daar kijk je Egyptenaren recht in hun ziel, vind ik. Prachtige teksten over wat je wel en niet mag doen. En ook heel alledaagse uitspraken. Dat je goed moet zijn voor je vrouw, bijvoorbeeld. Dat is bijzonderder dan je denkt. Want vrouw en man stonden echt op hetzelfde plan in Egypte. Het bezit wordt ook vaak doorgegeven via de vrouwelijke lijn. Aan die gelijkheid kan men nu nog een voorbeeld nemen.”

Dus dan is het dus ook niet zo gek dat er ook een aantal vrouwelijke farao’s zijn geweest?

„Ja, maar dat was dan dus weer wél tegen de heersende norm. Dat was het enige wat vrouwen niet mochten worden. Handelaren, hoge priesteressen, alles kon, maar de farao moest een vent zijn. Dat wel ja.”

Het mooie vind ik dat die wijsheidsteksten niet allemaal betweterij zijn, er is ook vertwijfeling.

Hans D. Schneider: Schrijven voor de farao Dertig eeuwen Oudegyptische literatuurUitgeverij Balans, 896 blz. € 59,95

„Zeker. Er zijn dus zelfs ontkenners van het hiernamaals bij. Uitzonderlijke teksten. En daar is dan ook debat over, andere schrijvers gaan ertegenin en daar nemen anderen dan weer aanstoot aan. Er was ook veel moralisme, overspel mocht natuurlijk niet. Homofilie was ook uit den boze. Terwijl er toch ook veel getolereerd wordt. Een favoriet van mij is de oudste wijsheidsleer, van Ptahhotep, ca. 2350 v.Chr. Die bevat ook een hele tirade tegen zelfgenoegzaamheid en arrogantie.”

Schneider bladert in zijn boek en begint voor te lezen: „Wees niet trots op het feit dat jij een intellectueel bent, raadpleeg zowel de onwetende als de wetende [de wijze]. De grenzen van de kunst [vakmanschap] worden nooit bereikt, geen kunstenaar heeft ooit de top van volmaaktheid gehaald. Goed spreken [wijsheid] is verborgener [zeldzamer] dan de groene steen [smaragd?], toch wordt zij zelfs gevonden bij de meisjes bij de maalstenen.”

Schneider: „Nou, dat kan je dan in je zak steken als hoogleraar! Ook heel gewone meisjes kunnen wijzen zijn. En dat geen kunstenaar ooit de top van volmaaktheid heeft gehaald, is toch fantastisch?”

Dat we deze tekst nog hebben is eigenlijk gewoon toeval?

„Ja, de originele manuscripten zijn vrijwel allemaal verdwenen. Wat we hebben, is vooral te danken aan de kopieën die zijn gemaakt op de schrijversscholen. Studenten moesten die teksten overschrijven, als oefening. En de teksten werden ook besproken door de leraren. En zo zijn die oude teksten bewaard gebleven.”

SprookjeDe drie vloeken van de prins

(ca. 1500 v.Chr.)

„Er was eens, zo vertelt men, een koning aan wie (nog) geen zoon was geboren. [En Zijne Majesteit] smeekte de goden van zijn tijd om een zoon en die gaven bevel dat er hem een geboren zou worden. Hij sliep die nacht met zijn vrouw en zij werd zwanger. Toen zij de maanden van de zwangerschap vervuld had, werd er een jongen geboren. Toen kwamen de Hathoren om voor hem een lot te bepalen. Zij zeiden: ‘Hij zal sterven door de krokodil, of door de slang, of, net zo, door de hond.’ Dat hoorden de mensen die bij het kind waren en zij berichtten het aan Zijne Majesteit en het hart van Zijne Majesteit werd diep bedroefd. Daarop liet Zijne Majesteit [voor hem (het kind) een huis] van steen bouwen in de woestijn, dat was voorzien van personeel en alle mogelijke goede dingen uit het paleis, want het kind mocht niet naar buiten gaan.”

Uiteindelijk krijgt de prins een hond, nadat hij er een vanaf het dak van zijn huis heeft zien lopen.

„Zijne Majesteit zei: ‘Laat hem dan een kleine, spartelende puppy brengen, opdat hij niet verdrietig is!’ De prins trekt met zijn hond de wereld in en trouwt. „Later, toen vele dagen hierna voorbijgegaan waren, zei de jongeman op een keer tegen zijn vrouw: ‘Ik ben overgeleverd aan drie lotsbestemmingen: een krokodil, een slang, een hond.’ Zij zei toen tegen hem: ‘Laat dan de hond die jou volgt, afmaken.’ Maar hij zei haar: ‘Wat een onzin, ik zal mijn hond niet laten afmaken! Ik heb hem grootgebracht toen hij nog een puppy was!’ Zij begon nu haar echtgenoot nauwlettend in de gaten te houden en liet hem niet alleen naar buiten gaan.

„Nadat het avondbriesje was gaan liggen, ging de jongeman slapen op zijn bed en de slaap overweldigde zijn lichaam. Toen vulde zijn vrouw een [schaal met wijn en] een andere schaal met bier. Toen kwam er [een slang uit zijn] hol om de jongeman te bijten. Maar zijn vrouw zat naast hem en sliep niet. De [schalen] trokken de slang aan: hij dronk en werd dronken. Toen sliep hij in en draaide zich op zijn rug. En [de vrouw van de jongeman] hakte hem in stukken met haar bijl. Toen wekte men (zij) haar echtgenoot. […]. Zij zei tegen hem: ‘Zie, jouw god heeft je al een van je lotsbeschikkingen in je hand gegeven. Hij zal je dan ook wel [voor de andere twee] behoeden!’ [Hij] offerde toen aan Re, prees hem en verheerlijkte zijn macht iedere dag.”

De krokodil uit de vloek blijkt in een naburig meertje gevangen te zijn gezet door een watergeest.

„Later nu, toen [vele dagen hierna voorbijgegaan waren] ging de jongeman eens naar buiten om voor zijn plezier te wandelen op zijn landgoed. [Zij vrouw was] niet [met hem] meegegaan. Zo volgde hem alleen zijn hond. Toen kreeg zijn hond het vermogen om te spreken [en zei: ‘Ik ben jouw lotsbeschikking!’] Daarop rende hij voor hem [de hond] uit en bereikte het meer. Hij sprong in [het water om zo aan de hond te ontkomen]. En toen [greep] de krokodil hem en sleepte hem naar de plaats waar ook de watergeest verbleef. [Maar op dat moment was die er juist niet! Toen zei de] krokodil tegen de jongeman: ‘Ik ben jouw lotsbeschikking die jou heeft achtervolgd. Tot nu heb ik drie volle maanden met de watergeest gevochten. Welnu, ik ben bereid je te laten gaan. Als mijn [vijand terug is] om te vechten [vuur mij dan aan] en brul: ‘Dood de watergeest! En wanneer je ziet [dat de watergeest eraan komt, roep dan]: ‘Kijk, de krokodil!’ Later nu, toen de aarde licht geworden was en de volgende dag was aangebroken, kwam [de watergeest] terug […].”

De rest van het verhaal is verloren gegaan.

MoordDe moord op Ramses III

(1187-1157 v.Chr.), een verslag uit een tempelarchief.

„[…] Personen die gearresteerd zijn wegens hun misdaden [en die geleid zijn naar] de plaats van onderzoek voor Kedendenna, Baäl-mahar, Pa-ir-soen, Djehoety-rech-nefer en Meroe-si-Amon. Zij onderzochten hen wegens hun misdaden. Zij concludeerden dat zij schuldig waren. Zij lieten hen waar zij waren. Zij sloegen de hand aan zichzelf.

„[Ook] Pentaweret [zoon van Ramses III] is gearresteerd, omdat hij zich had aangesloten bij Teje, zijn moeder, toen zij de plannen smeedde samen met de vrouwen van de harem, terwijl hij rebelleerde tegen zijn Heer [zijn vader]. Men leidde hem voor de butlers om onderzocht te worden. Zij concludeerden dat hij schuldig was en lieten hem waar hij was. Hij sloeg de hand aan zichzelf. […]”

Gedicht

Liederen uit de boomgaard

(ca. 1200 v.Chr.)

1 De granaatappelstruik is beledigd

De granaatappelstruik, in het midden van de boomgaard, zegt:‘Mijn pitten zijn als haar tanden,Mijn vruchten als haar borsten,Ik ben de beste van de boomgaard,Want ik ben er in ieder seizoen.Wat de zuster doet met haar broer,Wordt verborgen onder mijn takken,Dronken zijn ze van wijn van druiven en granaatappel […]

2 De vijgenstruik moppert

De vijgenstruik beweegt zijn mond,Zijn bladeren spreiden zich uit om te spreken:‘Wat fijn dat ik geplant ben,Voor mijn meesteres kom ik tevoorschijn!Zij is een edele zoals ik.Als er geen dienaressen zijn,dan zal ik de slaaf zijn […]

3 De sycomoor nodigt uit

De kleine sycomoorDie zij geplant heeft met haar handBeweegt zijn mond om te spreken.De bloemen op zijn stelenZijn zo zoet als honing.Hoe mooi is hij,Zijn takken glanzen groener dan gras.Hij is beladen met vijgenRoder zijn ze dan kornalijn,Zijn bladeren zijn als malachiet,Als glas is zijn bast. […]Een klein meisje stelt hij een brief ter hand,De dochter van de gaardenier,En laat haar ijlings naar de zuster gaan:‘Kom, blijf nog even tussen de meisjes!’De tuin is in feestelijke bloei!Onder mij staan een prieel en een schuilhut voor jou!Mijn tuinlieden zijn zo blijAls kinderen, als zij jou zien! […]

BriefWaarom schrijf je niet?

De schrijver Amonmose aan zijn vader, kapitein der troepen Bak-en-Ptah, (ca. 1200 v.Chr.)

„Schrijf mij toch hoe het met je gezondheid is, door middel van alle mensen die van jou vandaan hier komen, want ik wil horen hoe het elke dag met je gaat. Jij schrijft mij goeds noch slechts, en geen van die lui die jij stuurt, komt bij mij langs om te zeggen hoe jij het maakt. Schrijf me nou toch eindelijk hoe het met je is en hoe het met jouw mensen gaat bij alles wat hen bezig houdt, want ik verlang vreselijk naar ze! Ik laat je slechts 50 goede keleschti-broden brengen, want de bezorger haalde er 30 van mijn zending af en zei ‘Ik ben te zwaar beladen!’ En ook heeft hij niet gewacht tot ik hem kruiden uit mijn tuin had laten brengen, hoewel hij mij niet had gezegd op welke avond hij bij mij zou komen. Ik stuur je via hem twee schotels vet voor zalf. Het ga je goed!”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Afrika

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next