Home

Het verhaal uit Enspijk evenaart het boek uit Enspijk

Boek uit de kast Uit straatboekenkastjes in heel Nederland haalt Arjen Fortuin steeds een boek, bespreekt het, en geeft het door. Deze week een ode aan het midden uit het midden van Enspijk.

De straatboekenkast in Enspijk.

Elke plaats heeft een verhaal en, toegegeven, dat van Enspijk is een goed verhaal. Op 29 januari 1973 stalen Daan Denie en Jantje Brouwers in Den Bosch bij een overval 16.000 gulden, voor 10.000 gulden aan postzegels en 50 uitstekende sigaren. Maar geen benzine voor de vluchtauto, dus die kwam pruttelend tot stilstand bij knooppunt Deil. Andere auto gekaapt, daarmee in het Betuwse Enspijk beland, nu ja, op de doodlopende weg naar de boerderij van de familie Smits liep. Of het nu door die sigaren kwam of door iets anders, de familie Smits kon best overweg met hun gijzelnemers. Het zijn goede jongens, verklaarde de boerin later voor de rechter en ze gaf hen een kus. Er zijn nog meer details (en er is een podcast).

Kan een boek uit Enspijk op tegen deze Enspijkse true crime? Eigenlijk wel. We vinden het niet aan een doodlopende weg, maar midden in het dorp: Krik. De prins die trouwen moest van Miep Diekmann (1925-2017). En de roman – verschenen in 1989, dit is een door de weergaloze Thé Tjong-Khing geïllustreerde editie 1998 – gaat ook nog eens precies over het midden. Dat zit zo: een oude koning sterft en heeft drie zoons: de bazige tweeling Roderik en Goderik én Rik, het jongste broertje, dat altijd liever spelletjes speelde met zijn vader dan dat hij zich mengde in het verplassen van zijn oudere broers.

Roderik en Goderik besluiten het land te verdelen: het noorden is voor Roderik, het zuiden is voor Goderik en Rik mag het midden hebben. Maar ja, wáár is het midden? Rijdt Rik een klein eindje naar het noorden, dan treft hij de grenswachten van zijn ene broer. Vlak daarbij aan de zuidkant, andere grenswachten. Het blijkt dat er voor het midden slechts een sneu strookje op de kaart overblijft, niet veel groter dan Enspijk.

Maar dan! In dat midden – het boek verscheen in de jaren waarin men ook meende dat het politieke geluk in het midden te vinden was – bevindt zich een meertje, waar Rik uiteindelijk een kuil in het zand graaft. „Dit is dan mijn paleis. In elk geval kunnen mijn onderdanen zomaar bij mij binnenlopen, ze hoeven niet eens te kloppen. Hoor mij! Onderdanen? Geen mens te zien. Misschien moet ik die ook zelf maken, net als mijn zandpaleis, van zand. Zandmensen.”

Dat laatste blijkt niet nodig, want duiken plots allemaal meisjes op. De jonge koning is niet goed met meisjes: „Rik voelde hoe ze met hun ogen in alle gaatjes, naadjes, plooien en uitsteeksels van zijn half blote lijf kropen.” Rondom het meer blijken ook jongens te wonen, ouders en een wonderlijke ex-kluizenaar die De Oude Man wordt genoemd. Het blijkt dat de oude koning regelmatig bij hem op bezoek kwam om gewone-mensendingen te doen: vissen met de vissers – dat werk.

De Oude Man probeert Rik tot een min of meer ordentelijke koning te boetseren (ze noemen hem K), maar dat gaat met horten en stoten. In Diekmanns wereld zijn mensen even inconsequent en warrig als echte mensen. Intussen ontstaat er in het midden een beminnelijk anarcho-staatje in de geest van Annie M.G. Schmidt en Astrid Lindgren. En Rik trouwt met het leukste meisje van allemaal. Hup Rik!

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next