Radicaal rechts is in zijn revolutionaire fase beland. De fase waarin geweld een politieke optie wordt en het parlement niet langer wordt gerespecteerd als wetgevend orgaan, maar louter nog wordt gebruikt als een tribune om de ander de mond te snoeren.
Hoewel er in talkshows met verbazing en verontwaardiging over werd gekeuveld, kon je de klok erop gelijkzetten dat dit stadium zich vroeg of laat zou aandienen. Elke radicale politieke beweging komt op een zeker moment voor de vraag te staan of ze moet accommoderen of juist escaleren. Benito Mussolini koos in 1922 voor een coup via de straat. Adolf Hitler loste het dilemma na zijn mislukte putsch een jaar later op door een dubbelzinnige ‘legaliteitskoers’ te varen: binnen de grenzen van de wet een electorale macht opbouwen maar tegelijkertijd de SA-knokploegen loslaten op tegenstanders.
Ook links heeft zulke problemen gekend. Na de Eerste Wereldoorlog bijvoorbeeld, toen de bolsjewieken met geweld de macht in Rusland grepen, waarna de socialistische Internationale in twee fundamenteel verschillende stromingen uiteenviel. Of in de jaren zestig toen links wel een succesvol antwoord vond op het ‘ficken und schießen’ van de studentenbeweging rondom de Rote Armee Fraktion.
De ommekeer bij radicaal rechts in Nederland voltrok zich eind mei in de Tweede Kamer. Een plenair debat over ‘over het normaliseren van geweld in politiek en samenleving’ bracht aan het licht dat politiek geweld inderdaad reëler is geworden. Weliswaar stemde een meerderheid voor een motie om „geen akkoorden te sluiten met politici die oproepen tot geweld tegen vluchtelingen of de omvolkingstheorie verspreiden”, maar oppositieleider Jesse Klaver (PRO) slaagde er niet in een bres te slaan in het radicaal-rechtse blok van 46 zetels (plus 3 van de theocratische SGP), en de VVD aan het midden te binden.
Het blok hield voet bij stuk: door openlijk te pleiten voor een blank Nederland, door ‘geweld’ proportioneel te rechtvaardigen of de schuld bij de ander le leggen. En de VVD weigerde de deur naar ultra’s te sluiten omdat ze weet aan welk kant haar boterham wordt gesmeerd. Volgens het Nationaal Kiezersonderzoek over de verkiezingen van 2025 vormt radicaal rechts namelijk „een van de meest coherente blokken”. Dat „onderstreept hoe kortzichtig de analyses van een half jaar geleden waren, waarin opgelucht een ‘comeback van het midden’ werd verkondigd”, concludeert Coen van de Ven in De Groene Amsterdammer.
De vraag is nog wel wie er binnen dit blok leiding gaat geven aan de revolutionaire fase. FVD heeft de beste papieren. Het succes bij de gemeenteraadsverkiezingen van deze pro-Kremlinpartij, die keurig contact onderhoudt met de Russische ambassadeur in Den Haag, was geen toevalstreffer. „De uiterst rechtse kiezer radicaliseert”, aldus verkiezingsonderzoeker Eelco Hartman in deze krant. Van de burgers die een sterke afkeer hebben van het huidige parlementaire systeem – inmiddels een kwart van de bevolking – wil 23 procent een sterke leider die lak heeft aan oppositie of rechtstaat en is 18 procent niet op voorhand tegen politiek geweld.
FVD heeft die stemming geïncorporeerd. Bijna twee derde van zijn kiezers walgt van het systeem en een kwart ziet er wel wat in om de boel hardhandig omver te werpen. Omdat ze ook nog eens hoger zijn opgeleid dan die van de bijvoorbeeld PVV, zal FVD daarom beter in staat zijn om de radicalisering van rechts in politieke macht om te zetten.
De sterkste kaart heeft fractieleider Lidewij de Vos zelf in handen. Nog beter dan partijbaas Thierry Baudet, die uiteindelijk toch aardig gevonden wil worden, weet zij het parlement als bühne te gebruiken. Als er iemand is die een handgemeen kan uitlokken – zoals de (voormalige) SS’ers Meinoud Rost van Tonningen in 1939 en Hendrik Adams in 1966 eerder deden – is het de onthechte De Vos wel. Voor de Kerst kan ze al slagen.
En dan? Gaat de Kamer dan wel conform de motie-Klaver een front vormen? Ik zie het niet gebeuren.